spitsmuis
De spitsmuis
Muziek bij de spitsmuis: Luisteren & lezen (opent in een nieuw scherm)
De scherpe spitsvondige flitsen
de woordorde rijgen en ritsen,
met weging en wik,
met limerick… ‘tik’
de oren van anderen spitsen.
de spitsmuis
Niemand zit op mij te wachten, schreef de spitsmuis, die al jaren hoopte eens een gerenommeerd dichter te worden, met grote letters in het zand.
Het was duidelijk dat hij moeite had met schrijven, maar dat kwam echt niet alleen omdat hij zo klein was. Het was voornamelijk dat wát hij opschreef, dat een verlammende werking op hem had. Niemand zat op hem te wachten. Het stemde hem droevig, of beter gezegd wanhopig.
De torenvalk cirkelde al een tijdje doelloos boven de duinen, toen haar oog op de schrijvende spitsmuis viel. In plaats van zich onmiddellijk op haar prooi te storten, wachtte ze even af. En niet alleen omdat het nou eenmaal haar gewoonte was eerst te bidden voor het eten. Nee, ze wachtte ook omdat haar nieuwsgierigheid was gewekt. Ze was benieuwd naar wat de muis nog meer te schrijven had.
Dus waar wacht ik nog op? Toen de spitsmuis klaar was met het vraagteken, bekeek hij het geheel kritisch van een afstandje. Het schrijven in het zand had hem een heel klein beetje opgelucht, maar de hoop dat ooit iemand hem een bevredigend antwoord op die vraag zou kunnen geven, was allang vervlogen.
De torenvalk kon zich niet langer bedwingen. Waar wachtte zij eigenlijk nog op? De spitsmuis had gelijk. Met een duizelingwekkende vaart liet ze zich naar beneden vallen. Haar klauwen in de aanslag, klaar om de spitsmuis van de grond te plukken.

“Wacht!” piepte de spitsmuis die de torenvalk natuurlijk al lang in de smiezen had. “Wacht nog heel even alstublieft.”
Tot haar eigen stomme verbazing gaf de torenvalk gehoor aan zijn verzoek en spreidde, vlak voor zij de spitsmuis wilde grijpen, haar vleugels om de val te breken.
“Ik zal heus niet weglopen hoor, daar hoeft u niet bang voor te zijn. Maar ik móet, voor u zich tegoed aan mij doet, één ding van u weten.”
Korzelig hipte de torenvalk tot voor de muizensnuit. “Wel?” vroeg ze. Veel tijd gunde ze hem niet. Haar maag rammelde.
“Ik heb u wel boven mijn hoofd horen bidden,” begon de spitsmuis. De torenvalk moest vooral niet denken dat hij haar niet allang in de gaten had gehad. “Maar wat ik me afvraag; hebt u in de lucht écht al die tijd op mij gewacht tot ik klaar was met schrijven?”
De torenvalk dacht na. Tussen de boodschap van de spitsmuis in het zand en de vraag die hij haar nu stelde, zat iets heel paradoxaals, vond ze. Maar ze kon er niet goed achter komen wat dat was. Voor de spitsmuis echter was het feit, dat de torenvalk aarzelde met antwoord geven, antwoord genoeg. Als een gek begon hij rondjes om de torenvalk te rennen, daarbij hoge kreetjes van vreugde slakend. “U hebt gewacht!” gilde hij. “U hebt op mij gewacht.”
Eindelijk, eindelijk had hij antwoord op zijn vraag. Zelfs al scheen niemand meer op hem te wachten, dan nog was er altijd wel iemand te vinden die dat wél deed: in dit geval de torenvalk. Van pure opwinding sprong hij haar om de nek en gaf haar de meest liefdevolle kus die hij ooit iemand had gegeven.
Even leek de torenvalk uit het veld geslagen, maar niet voor lang. “Heb ik nu genoeg gewacht?” vroeg ze ongeduldig.
Meer werk van Rieks Veenker
Illustratie: Femke Gerestein