Hufterbestendig
Hufterbestendig

‘In de vorige eeuw kon je bepaalde dingen vernielen. Nu niet meer. Neem bijvoorbeeld de abri.’ Jan Havink, docent maatschappijleer die via een zijstroomtraject wordt opgeleid tot volwaardige kracht op het VMBO-college en nu op zijn vingers gekeken wordt door zijn doorgewinterde coach op de achterste rij van een overvolle klas, heeft een spraakprobleem. Hij kan de s niet uitspreken zonder zijn tong tussen zijn voortanden te zetten. En als dat wel gebeurt, lijkt zijn tong de neiging te hebben er tussen te blijven steken, vooral bij samengestelde woorden.
Meteen vliegen vier vingers de lucht in. Orde kan hij houden, geen schreeuwlelijkerds of ander gespuis durven het om hem zomaar in de rede te vallen. Dat komt door zijn fysieke gesteldheid. Jan Havink is geëvolueerd uit een oer-Hollands havenarbeidergeslacht, waarbij zijn voorouders nog tot enkele decennia geleden graanzakken met de hand van boord haalden. Hij heeft niet alleen grote handen. Zijn schoenen worden in het buitenland op maat gemaakt. Mensen herkennen hem eerst aan zijn schoenen, voordat hij uiteindelijk zelf in beeld komt. Jan Havink moet vanwege zijn lengte altijd en overal voor bukken. Aan sjouwen en tillen hield hij op een gegeven moment bewegingsklachten over, waardoor hij via de vakbond, de bedrijfsarts en de uitkerende instantie op school was beland. Jan Havink is niet van het buigende type.
‘Wat is een abri meneer?,’ vraagt een van de leerlingen nadat Jan Havink hem aan had gekeken en met een knikje toestemming gaf om te praten.
Die vraag had hij verwacht. Als hij nu met bushokje antwoord dan zal dat veel hilariteit in de klas geven. Maar hij heeft daar wat op bedacht. Een vervangwoord. Zijn laatste redding.
‘Een tramhokje,’ zegt hij resoluut en staart de klas in.
In een stad zonder tram, waar zelfs treinen niet willen stoppen. De leerlingen kijken hem aan. Zijn coach duwt zijn wenkbrauwen omhoog. Het is stil. Jan Havink brengt zijn handen op borsthoogte bijelkaar en tikt bedenkelijk met zijn vingers op de knokkels van zijn andere hand. De leerlingen staren naar zijn handen.
Was zijn woordenschat maar even groot als zijn handen. Welke alternatieve woorden heeft hij nog voorhanden? Wachthuisje? Nee, die valt af. Bushalte?
‘Wat is een tramhokje, meneer?,’ vraagt een durfal die van thuis uit heeft geleerd om bij alles en iedereen steevast door te vragen. Weer stilte. Dan stopt Jan Havink met trommelen. Een lach verschijnt op zijn gezicht.
‘Een hufterproof hokje.’
De klas knikt begrijpend, een enkele oh en een zucht van opluchting bij zijn coach.
Meer werk van Eddie van Sliedregt