iemandanders
In de war met iemand anders
Nee wij woonden in een zwijgend huis.
U vraagt of de daar aanwezige karakters ooit wel goedmoedig en rechtvaardig humden of gesticuleerden. Niet altijd maar meestal wel. Zij waren doorgaans goedertieren. Het huis was groot. Op de planeet waar ik vandaan kom daar waren de paleizen zo geconstrueerd dat zij langzaam in omvang begonnen af te nemen zodra er iemand in geboren werd. Dat is niet merkbaar in het begin. En ja, het is wel zo, dat als je in de balzaal stond vlak voor de ene muur dat dan de andere muur bij helder weer nog net te zien was aan de horizon.
Dat van de jassen dat weet ik niet meer maar de bossen zongen als wij bramen gingen plukken en de golven zongen als wij schelpen gingen zoeken en soms werd alles donker en dat bleef dan zo, ook als het daarna weer lichter werd. En wat wij ook verzonnen: het huis waarin wij woonden zweeg. Ook ging het nu en dan met ons erin alsmede het gehele universum ergens anders wonen, met de logistieke inzet van een aantal grote plus enorme vrachtauto’s of tientonners, ik heb er minstens een gezien, bijvoorbeeld midden in de stad tussen de bioscoop en honderd winkels of aan een weggetje bij een eeuwigdurende bouwplaats niet zo heel ver van de zee waar wedstrijden werden gehouden in wie de mooiste tekening kon leggen van schelpen in het zand. Ik maakte een zeemeeuw oh wat een mooie ooievaar riep iedereen en ik zei niets en won de eerste prijs. Wat of dat was weet ik niet meer ik hoop bijvoorbeeld een regenton of een onuitputtelijk kleurpotlood.
Soms zagen wij in het huis heel in de verte voorbij de trappenhuizen die als witte watervallen in de onmetelijke hal uitkwamen, voorbij de eindeloze brede gaanderijen van de gangen, omzoomd met zuilenrijen, voorbij spiraalsgewijze constellaties van brede zalen, kamers, ruimten, schuren, tenten, werkplaatsen zo groot als loodsen, dienstbodenvertrekken die op zichzelf al kleinere paleizen vormden, restaurants en keukens, logementen, markten, stallen, torens, binnenplaatsen die tot de hemel reikten, tuinen, parken, dierentuinen en musea, bibliotheken en complete universiteiten, daarachter zagen wij soms iemand uit de verte naar ons wuiven of namen roepen die van ons hadden kunnen zijn.
Later begon het te verdwijnen. Soms werd het daarom groter, dan weer kleiner, witte muren, oranje pannen op het dak, grote spiegelende ramen. Er is nog steeds een kleine tuin, een winkel op de begane grond, aan een straatje in een kleine stad waar ik soms koffie drink. Het huis past tegenwoordig in mijn binnenzak.
O, u vroeg dat niet aan mij. Over hoe het vroeger was. Ik dacht dat even, o u vroeg het wel aan mij maar dacht dat ik iemand anders was, u was in de war met iemand anders. Dat maakt niet uit dat heb ik ook wel eens. Ik vermoedde al zoiets.
Ik vond de vraag wel aardig.
Meer werk van René van Schagen