molenaar

De Molenaar

´Hée, Wim, kom je een glaasje drinken?´ Joost stond op de omloop van zijn molen met zijn ellebogen op de leuning. Ik vond het een beetje vroeg voor jenever op dit uur. Het was half twee in de middag en ik wist op voorhand dat het niet bij een glaasje zou blijven. Toch stak ik mijn duim omhoog, slappeling die ik was, ik had liever voor het avondeten nog wat aan mijn laatste verhaal willen schrijven. Wind stond er nauwelijks. Molen “De Haas” stond in het zonlicht te stralen als een parvenu, trots en met een rechte rug. Hij had een prominente plaats op het bolwerk aan het havenhoofd.
Het betreden van Joost´ domein heeft iets mysterieus, stof dwarrelde in het geringe licht dat door een klein raam werd doorgelaten. Zonnestralen die als kleine jakobsladders het interieur beschenen, gaven precies het benodigde licht om je weg te zoeken. Het was er doodstil nu de molen niet draaide. Zelfs de bejaarde bordercollie Jesaja reageerde niet bij mijn binnenkomst. De laatste tijd ligt hij beneden op een oude meelzak want traplopen gaat niet meer. Ik zag zijn wenkbrauwen onafhankelijk van elkaar bewegen en zijn ogen keken me aan met de hoopvolle verwachting of ik wellicht antwoord kon geven op de zin van het leven. Hij draaide zich langzaam op de rug en kwispelde enkele malen. Ik kriebelde op zijn borst en hoorde een zucht van tevredenheid.
Bij het beklimmen van de houten trap naar de omloop stapte ik in meelstof van wel een centimeter dik op de versleten treden, de geur van oud hout drong zich op. Eenmaal boven kreeg ik een hand van Joost vol harde littekens. Mijn glas jenever stond al ingeschonken op een klein, wiebelend houten tafeltje dat een gedeelte van de drank over de rand deed morsen.
´Zitten, ga toch zitten jongen.’
´Dank je, Jozef.’
´Kijk, dat vind ik nou zo fijn hè. Alleen jij noemt me nog bij m´n echte naam. Johannes deed dat ook altijd, wist je dat? proost!’

Johannes was mijn grootvader en vroeger altijd op de molen te vinden bij de vader van Joost, Job genaamd. De twee schreven de zondagpreken voor twee dominees, een voor de gereformeerde kerk en de ander, mijn grootvader, voor de hervormde gemeente. Het bleek altijd een, tja hoe zeg je dat, meer dan gezellige bijeenkomst te zijn tussen die twee. Het waren vrienden door dik en dun en de hele wereldproblematiek werd onder het genot van een halve kruik jenever opgelost.
De Hoogaars van mijn grootvader lag altijd afgemeerd tegenover de molen van Job. Johannes vervoerde onder andere suikerbieten, graan van molen “De Haas”, stro en soms mosselen en oesters. Het schip voerde via de twee Scheldes naar Antwerpen, en terug met bakstenen of houten balken.
Joost kon zich verhalen herinneren van ver voor mijn tijd, hij was tenslotte vijfendertig jaar ouder dan ik. Nimmer ben ik een betere verteller tegengekomen.
‘Ken je dat verhaal van je opa, toen hij tegen God en gebod de oversteek naar Antwerpen ondernam met die lading postpakketten, Wim?’ Hij schonk het glas nog wat bij.
‘Ik weet even niet over welk verhaal het gaat, Jozef, maar ik ben er wel benieuwd naar.’
‘Wacht even, dan haal ik Jasaja naar boven, ben zo terug.’
Mijn stoel had ik zo geplaatst, dat ik op twee stoelpoten achterover kon leunen tegen de geelrode bakstenenmuur van de molen. De tijd stond stil, het geluid van beneden was verstomd en het uitzicht over de haven fenomenaal.
Jesaja werd door Jozef voorzichtig op zijn poten gezet. Het stramme lijf zocht een aannemelijke houding onder het wiebelende tafeltje. Met zijn kop op de voorpoten wachtte de hond op de dingen die komen gingen, evenals ik.

´Ik was nog maar een ventje, Wim, ik denk dat ik niet ouder was dan een jaar of acht. Het zal 1931 of ‘32 zijn geweest, wanneer ik even snel terugreken. In ieder geval was het in de crisistijd. Iedereen, maar dan ook iedereen die ik kende was straatarm, ook bij je opa thuis aan boord was het kommer en kwel hoor. Johannes en Helena, je oma, hadden toen al vier kinderen en de vijfde, je vader, was op komst. Het zal een vrijdag zijn geweest want de ambtenaren van het stadhuis zochten een schipper om een aantal pakketten te laten vervoeren naar Antwerpen. En toen moest je nog buitenom over de Noordzee, om van de Oosterschelde bij de Westerschelde te komen. Er stond een negentje denk ik, het stormde vanuit het noordwesten. Ja, het was februari, mijn vader was die week jarig geweest.´
Jesaja moest zich krabben achter het oor, hij draaide zijn staart onder het lijf en deed een poging een slaapje te vangen want hij geeuwde onbedaarlijk.

´Eind februari, Wim en koud, koud, jongen je kon de wind horen gieren door de wieken van de molen en het water sloeg over de kaai op het bolwerk, sneeuw striemde in je bakkes en de touwen sloegen wild tegen de masten met een hels kabaal. De dijkgraven hadden hun knechten al opgeroepen voor de dijkwacht, want het spookte daar buiten jongetje, ach, ach.` Jozef wees met zijn grote hand richting buitengaats.
´Die ambtenaar stond daar met zes dozen op de kaai en niemand wilde de oversteek wagen. Je opa was de enige die vroeg wat het opleverde.´
Jewannes zoals Jozef mijn opa noemde, had een opleiding bij de marine genoten en was van hetzelfde kaliber als Jozef, bang voor niets en niemand.
´Voo de duvel nie benauwd die man.´
Jozef vertelde zo sterk, dat ik kippenvel op mijn onderarmen kreeg. Het beeld van mijn grootvader stond me voor ogen, groot, breed, en zeer wijs.
‘Drie daalders, was de gage voor een tocht naar Antwerpen en terug. En je grootvader nam de klus aan. Andere schippers namen vol ontzag hun pet af want men wist dat de storm nog lang niet op zijn hoogtepunt was. Dat wist Johannes ook en Marinus, zijn knecht, werd bleker en bleker.
De pakketten werden benedendeks gedragen en Marinus deed zijn werk met hangende schouders. De lucht was zwart om vier uur in de middag toen de Hoogaars loskwam van de wal. En weet je, Wim. De landrotten die waren toegestroomd om de afvaart met eigen ogen te kunnen zien, deden weddenschappen over een eventueel terugkeer van je opa met zijn gezin. Kun je het je voorstellen? Dat zegt toch wel wat hè, je grootvader zo gelovig als een dominee, een Godvrezend mens, en achter zijn rug werd gegokt! Hoe de reis is verlopen heb ik te horen gekregen uit de mond van Marinus, omdat Johannes er nooit iets over gezegd heeft. Zelfs niet tegen Job, anders had ik het wel geweten. Marinus is trouwens na deze tocht nooit meer het water op geweest, dat zegt op zich al genoeg denk ik.
Met een gereven grootzeil verlieten ze op die februarimiddag de haven. Door de sneeuw waren ze al snel uit het zicht en eenmaal op de Oosterschelde bleek dat het zeil nog een rif nodig had, buiten was het ruim windkracht tien. Volgens Marinus, die drie kleuren stront heeft gescheten, riep je oma met de huilende kinderen aan haar rokken, boven de wind uit God toe voor barmhartigheid,. Johannes was onverbiddelijk en zette de reis door, hij wilde niets weten over een eventuele terugtocht, trots als hij was. Het geld was nodig, meer dan nodig en hij moest en zou zijn vracht overbrengen. Johannes voer tegen de storm in de Noordzee op naar het noordwesten en dat wel zes uren lang. Hier zie je maar over hoeveel vakmanschap hij beschikte, want hij moest goed uitkomen om Walcheren te ronden. De storm op de Noordzee was van een dusdanige aard dat Marinus je opa op zijn knieën heeft gesmeekt terug te draaien. Het werkte allemaal averechts, dit gaf je grootvader juist de motivatie om door te gaan. Met zijn tweeën moesten ze de helmstok in bedwang houden op een schip dat kraakte en kreunde. De kou en het spattende water putte Marinus volledig uit, hij kon geen touw meer vasthouden en hij werd herhaaldelijk onderuit geslagen door de huizenhoge golven, hij gilde het uit van doodsangst. Na deze hysterische zes uren, ging Johannes eindelijk overstag. Na deze wending kreeg de Hoogaars zoveel vaart dat bijsturen naar zuid,west west onvermijdelijk was om in de Westerschelde te geraken. Marinus had zijn broek al volgescheten en hij was eerst in de veronderstelling dat de schipper de terugvaart had ingezet. Niets bleek minder waar en hij veranderde opnieuw van koers, naar west ditmaal, hij voelde dat hij niet uitkwam.
Puur gevoel jongen, want het was pikdonker en sterren waren niet te zien, zelfs de vuurtoren van Westkapelle was aan het zicht onttrokken. Met Marinus was ondertussen niets meer aan te vangen. Je opa had dit in de gaten, want hij zag hem door de kuip kruipen als een kip zonder kop. Hij kreeg de kolder in z’n kop, zoals Marinus dat later zelf vertelde. Johannes zette het roer vast met een touw, en weet je wat toen gebeurde? hij bond Marinus aan de mast, puur uit lijfbehoud.
“Anders was ik uit angst misschien wel overboord gesprongen,” had hij me gezegd.
Je oma moet het ook zwaar hebben gehad hoor, tjonge nog an toe, met die koters die continu liepen te gillen en te krijsen dat het een lieve lust was. In het kleine woongedeelte stond geen stoel meer overeind
Uiteindelijk kreeg je opa het schip waar hij het hebben wilde, recht voor de monding van de Westerschelde. Nu was het nog de kunst om de zandbanken te ontwijken die her en der lagen verspreid. Maar Johannes kende het vaarwater daar als geen ander. Hij laveerde het schip haast blindelings naar de haven van Antwerpen. Wat een man, wat een kennis en wat een doorzettingsvermogen. De dominee had op zondag nog met de kerkgangers gebeden voor een behouden terugkomst van hun voorganger met zijn opvarenden.
Eenmaal aangemeerd gaf hij Marinus de bons. Hij hoefde nooit meer een voet op het schip van je grootvader te zetten.
“Je ziet maar hoe je thuiskomt,” scheen Johannes te hebben gezegd.
Je grootouders hadden in Antwerpen drie dagen gewacht tot de storm was afgezwakt en hebben toen de terugreis onder betere weeromstandigheden aangevangen. Hier, in de thuishaven, had men de Hoogaars al min of meer opgegeven. Maar Job, mijn vader, zag hem vanaf de molen binnenlopen. Het schip was gehavend hoor, tjonge, het leek wel een spookschip. Het dorp liep uit om te zien hoe de familie het er had afgebracht. Slechts twee mannen hadden de weddenschap gewonnen, de rest had je grootouders voor altijd afgeschreven.’

Het was even stil, de zon brandde en Jesaja lag te snurken, de spieren van zijn poten trokken licht tijdens zijn droom.
‘Wat een verhaal, Jozef, ik kan nu nog wel een glaasje jenever gebruiken. Ik kom tot de conclusie dat ik bijna nooit was geboren.’
‘Ja jongen, zo gaat het leven, je hebt nu in ieder geval weer wat stof om over te schrijven.’

Meer werk van Wim Oudesluijs

terug naar begin



agenda

16-05-2012 t/m 09-07-2012 Expositie: Nelleke Tessen - van Liere

Expositie met fotogedichten van Nelleke Tessen - van Liere.  lees verder.

22-05-2012 Literaire avond: Spring

Spring wordt een intieme literaire avond waarbij het nieuwe boek van Hella de  lees verder.

23-05-2012 Afrika - Literair Festival

In het kader van de Maand van de Vrijheid organiseert SLAZ (Stichting Literaire  lees verder.

01-06-2012 Ruilactie: Boek & Ruil

De meeste boeken leest men maar één keer. Daarna staan ze vaak te verstoffen in  lees verder.

02-06-2012 Workshop Creatief schrijven met Thomas Olde Heuvelt

Schrijf je verhalen of wil je dat gaan doen? Dan is dit je kans! In de Week van  lees verder.

06-06-2012 Boekenverkoop Bibliotheek Vlissingen

Driedaagse verkoop van afgeschreven boeken op de eerste verdieping van  lees verder.