afdaling

De afdaling

Iedere ochtend stond ze voor haar keukenraam te wachten totdat haar espressomachine op temperatuur was. De zondagen waren het zwaarst, ze zag stelletjes fietsen door de straat die de kinderen verkeersles gaven, ‘pas op voor de auto’s, let op voor verkeer van rechts.’
Ze verbeet haar jaloezie en probeerde met de zaterdagkrant en een kopje koffie uit te pluizen hoe ze de dag zou doorkomen. Het was te warm voor het strijkwerk dat eigenlijk nodig weggewerkt moest worden, vandaag was het weer boven de dertig graden. Vanuit het keukenraam bezag ze ook de toren die zo beeldbepalend was voor haar stadje. Deze ochtend zag ze weer wat beweging op de toren, kleine hoofden die amper boven de balustrade zichtbaar waren.
‘Waar heb je zin in met dit weer,’ zei ze tegen zichzelf. Zou ze dag weer maar aan zich voorbij laten gaan zoals altijd, zonder enig initiatief te nemen om iets ‘leuks’ te doen.
Wat zou dat dan moeten zijn dat ‘leuks’? Waarschijnlijk weer een boekje lezen om tijd te laten passeren en wachten tot het tijd was geworden een boterham te eten? Of uitgebreid douchen en op het gemak opmaken voor niemand anders dan zichzelf? Ze bleef tot twee uur in de middag in haar pyjama rondlopen en ging eindelijk onder de douche, ze bleef een uur lang haar haar doen en probeerde diverse kleurstellingen op haar oogleden uit. Wat er ook gebeurt, men dient er respectabel uit te zien, hoe beroerd het leven er ook uitziet.

Ze kon tot haar grote verdriet geen kinderen krijgen. Dus had ze straks niemand om op terug te vallen of steun te verwachten. Haar ouders waren al jaren geleden overleden en haar enige zus was pas vorig jaar verongelukt doordat haar man, met teveel drank op, met zijn auto frontaal op een vrachtwagen was ingereden. Het verlies van haar zwager kon haar eigenlijk niet zo heel veel schelen, het was een klootzak die haar ooit had geprobeerd te versieren. Vanaf dat moment waren de beleefdheden verdwenen, gelukkig had ze het nooit aan haar zus verteld. Het een en ander gebeurde notebene tijdens de verjaardag van haar zus, drie jaar geleden. Ze stond de taart te snijden die haar zus had gebakken toen hij té amicaal de keuken binnenkwam met een jeneverlucht om zich heen. Hij kwam vanachter tegen haar aanstaan en ze voelde zijn geslacht hard tegen haar onderrug en hij pakte haar schaamteloos bij haar borsten. Ze had zich omgedraaid met het mes vol slagroom in haar hand en wees ermee in de richting van zijn kruis.
‘Ho, ho, het was maar een grapje,’ had hij iets te zacht gezegd zodat niemand anders het kon horen.

Haar eigen man was vier jaar geleden aan darmkanker overleden, een dramatisch ziekbed dat twee jaar had geduurd en gepaard ging met een ongelooflijke hoeveelheid werk. Hij moest zesmaal per dag worden verschoond doordat hij geen beheersing meer had van zijn sluitspier, op den duur moesten ze overgaan op luiers. De pijn was ondragelijk geworden, zodat hij de laatste maand verzorgd moest worden in het verpleeghuis. Ze wisten beiden dat het afgelopen was, maar hadden elkaar niet zoveel meer te melden. Alles was doorgesproken, op het laatst werd alleen maar over de crematie gesproken, hoe hij ‘het’ het liefst zou willen.
Steeds weer werden namen geschrapt van de uitnodigingslijst die in zijn ogen beter konden wegblijven. Over hun leven samen hadden ze het nauwelijks gehad, verbitterringen deden niet terzake, men glimlachte maar een beetje. Ze hadden eigenlijk al afscheid genomen en elkaar gedurende dertig jaar huwelijk weten te verdragen en elkaar nooit verweten dat ze geen kinderen hadden.

Ze was nu vijfenvijftig en haar leven was wat haar betrof ook voorbij want er was niemand om wie ze zich nodig behoefde te bekommeren. Zelfs het hondje was kort na de dood van haar man overleden, verdronken in de haven waar hij was ingevallen bij halftij, hij had nooit leren zwemmen.
Ze had wel geprobeerd een nieuw leven op te bouwen na de dood van haar man, want hoe gek het ook klinkt, ze was na de crematie in een andere dimensie terechtgekomen. De aandacht van kennissen en verre familie deed haar goed, ze was zelfs nog op vakantie geweest met een oud-collega die haar had meegenomen naar Spanje, waar ze samen met haar man een kleine villa bezat. Dat was haar mooiste vakantie sinds jaren geweest, ze had genoten van de cultuur, het weer en de aandacht die haar ten deel viel. Naar mate de tijd verstreek, was men minder geïnteresseerd in haar wel en wee, neefjes van haar overleden man hadden zelfs hun deel van de nalatenschap al opgeëist, was haar ter ore gekomen via de bevriende notaris.
Haar man verdiende de kost door het voeren van een klein schildersatelier. Hij had een respectabel aantal klanten uit het hele land die zichzelf lieten portretteren, was vaak ‘op locatie’ zoals hij dat noemde. Hij moest voorstudies doen van beoogde klanten in het noorden van het land, maar wanneer hij terug kwam, had hij slechts enkele vage schetsen in zijn groen-zwarte map waar hij zijn tekeningen in bewaarde en die was dicht gestrikt met zwarte linten.
Toen ze samen de lijst met genodigden voor de crematie doornamen, werden alleen vrouwennamen doorgeschrapt waar zij nimmer van had gehoord. Ze heeft hem er nooit naar gevraagd, maar had natuurlijk wel haar bedenkingen en vermoedens waarom hij regelmatig enkele nachten in het noorden van het land verbleef. Zonder in een medelijden om zichzelf te belanden kwam zij wel tot de conclusie dat ze teveel door de vingers had gezien. Zelf was ze gedurende haar huwelijk behept met een complex van schoonmaken en poetsen, terwijl haar man er een vrijgevochten leventje er op na hield. Ze had nooit geklaagd, ze had haar bridge op woensdagavond met de nodige onderbroekenlol.
Het bridgen was tijdens het ziekbed van haar man ook in het slop geraakt, zodat ze ook geen contact meer had met haar kaartvriendinnen. Nu was ze volledig op zichzelf toegewezen en het viel haar zwaar. Steeds vaker had zij moeite met boodschappen doen, ze voelde zichzelf bekeken en wilde ook geen contact met anderen. Soms kwam ze wel eens iemand tegen, een oude klant van haar man, een oud-collega of iemand van de bridgeclub, maar steevast draaide ze haar hoofd een andere richting, bang voor ongemakkelijke vragen.
Op het belastingkantoor waar ze tien jaar had gewerkt had ze tweehonderd collega’s, slechts negen ervan hadden een kaartje gestuurd na de dood van haar man, de leukste collega’s van haar afdeling.
Ze stond in een niet te definiëren dilemma, doorgaan of stoppen. Het stoppen had steeds vaker de overhand gekregen omdat het doorgaan haar de zin van inzicht en moed voor een groot deel had ontnomen. De gedachte aan stoppen had steeds vaker de overhand gekregen, omdat de moed en de zin om door te gaan haar voor een groot deel was ontnomen. Het was wel eerder bij haar opgekomen de laatste jaren, stoppen, maar ze had het steeds uit haar gedachten weten te verdringen. Het was nogal een stap en zo definitief.
Verschillende vormen van zelfmoord hadden haar gedachten gekruist. Polsen, voor een trein, ophangen of verdrinking, alles was haar troebele brein gepasseerd. Tot ze op de bewuste zondagochtend de zestig meter hoge toren vanuit haar keukenraam bezag. Haar was op kantoor wel eens gevraagd mee te gaan om parachute te springen op het provinciale vliegveld, maar had er om gegiecheld en een wegwerpgebaar gemaakt. Wat moest ze anders, de collega’s waren twintig of vijfentwintig jaar jonger dan zij. Het zou wel spectaculair zijn, een val van de toren, recht voor het belastingkantoor. De oud-collega’s zouden later hilarische grappen kunnen maken, dat ze haar parachute was vergeten of iets dergelijks. ‘Maar wanneer je eenmaal dood ben, hoef je je daar ook niet druk om te maken,’ maakte ze zichzelf wijs. Ze geloofde niet in een god, niet in hemel of hel of in reïncarnatie, dus dat was het makkelijke deel.
Eerst wilde ze de toren beklimmen zonder verdere plannen. Ze was benieuwd hoe haar gedachten zouden werken wanneer ze eenmaal boven was en zich een totaalbeeld van haar plannen had gevormd. Op de eerstvolgende morgen nam zij een digitale camera en de telescoop van haar man mee om zich als een toerist tussen de beklimmers van de toren te voegen.
De ochtend was benauwd en vochtig warm toen zij haar huis verliet in een zomerrok en een lichte blouse met de telescoop en de camera over de ene schouder en de tas met telefoon, portemonnee en papieren zakdoekjes over de andere. Het was nog geen tien minuten lopen tot zij aan de voet van de toren stond. Hoewel ze de toren al haar hele leven had aanschouwd, was de kollos erg indrukwekkend van korte afstand. Ze liet een schoolklas voorgaan bij de kassa, en nam bij de informatiebalie een gratis folder door waaruit ze concludeerde 280 treden diende te beklimmen eer ze de top zou bereiken, wat haar een licht duizelig gevoel gaf. Ze moest twee euro entreegeld betaald worden voor ze de beklimming kon aanvangen.
De man in het glazen hokje had tatoeages op de onderarmen en een bril met zwaar montuur. Hij deelde haar mee hiér naar boven te gaan en dáár naar beneden te komen, wijzend met zijn zwaar behaarde armen. Er kwam een dubbele gedachte bij haar op. Enerzijds zou het kunnen klinken als een soort van waarschuwing, dat hij zou verwachten dat hij haar wederom beneden zou willen zien verschijnen. Anderzijds was het mogelijk dat hij haar aan de juiste kant de toren zou willen laten afdalen zonder dat ze het stijgende publiek voor de voeten zou lopen. Ze zei: ‘Ik hoop het toch maar’ tegen de man die het twee eurostuk in ontvangst nam. Ze was nu eenmaal van plan eerst een kijkje te nemen bovenop en overdacht hoe haar gevoel bij de kassa zou zijn wanneer ze daadwerkelijk de sprong zou wagen.
De klas schooljeugd was in geen velden of wegen meer te bekennen, waarschijnlijk waren zij dankzij hun optimale conditie al aangeland op de hoogste verdieping. Ze zuchtte tweemaal diep en begon haar klim. De trap uit leisteen had kortere treden dan zij zich had voorgesteld en de rechtse draai van de trap was korter dan gewenst, gelukkig was het door de dikke muren lekker koel in de toren. Ze begon iets te enthousiast. Ze had zich voorgenomen de treden niet te tellen, maar door haar licht dwangmatige schoonmaakwoede was dit nu juist een manier om te bezien wanneer ze voor het eerst zou uitrusten. Het bleken honderd zestig treden te zijn eer ze toegaf dat haar bovenbenen rust nodig hadden. Haar zware gehijg deden haar denken aan de laatste levensweken van haar vader, die aan longkanker was gestorven en ze besloot met ingang van vandaag te stoppen met roken. Na enkele minuten hoorde zij galmende stemmen, enkele meters onder haar, en besloot verder te gaan. De tussenverdieping bleek gesloten en dat vond ze jammer. Ze wist dat haar grootvader in 1933 hier zijn naam in een balk had gekrast met zijn zakmes.
‘Wat zou dat mooi zijn geweest wanneer ik dat nog had kunnen zien,’ hijgde ze. Weer moest ze even te stoppen door gebrek aan lucht. Het tellen van de treden ontrok haar van het besef door uitputting, wederom diende ze zich halt te houden, nu in een nis van de binnenmuur waarvan de deur ook was gesloten. Ze liet twee Duitse toeristen voorgaan en diepte een zakdoekje uit haar schoudertas op om gezicht, nek en hals van zweet te ontdoen. Plotsklaps werd ze na enige meters doorklimmen geconfronteerd met een zware eiken deur die haar toegang gaf tot de top van de toren. De deur moest door een zware veer worden gedrukt, wat haar een heerlijke koele wind opleverde die haar door het zuidwesten werd toegeleverd.
Nu, eenmaal boven, kon ze net boven de balustrade uitkijken. Zwaar uithijgend van de inspanning en proberend de zwarte stippen uit haar ogen te wrijven was het eerste wat ze zag, de witte zeilen van de bootjes op de Oosterschelde. Tussen het hijgen door maakte ze enkele huppeltjes op haar tenen om beter over de rand te kunnen kijken en kneep in haar lopende neus met een vuist om het snot te stoppen. Gelukkig was er een houten verhoging van waaruit ze een prominent uitzicht had over haar geboortestadje.
Allereerst ontdeed ze de telescoop van de bescherminghoes en zette het instrument aan haar rechter oog, haar bovenlip schuin opgetrokken. Ze zocht haar huisje, maar was door het plotseling vergrote beeld even van slag. Het kostte haar enige moeite de coördinatie onder de knie te krijgen, maar toen ze het eenmaal had gevonden was ze verrukt door het uitzicht. Ze bekeek haar woning en het was duidelijk dat de dakpannen aan de noordzijde behoorlijk groen waren uitgeslagen, wat haar even een lichte zurigheid bezorgde. Ze nam alles in haar geheugen op wat haar voor ogen kwam, het schitterende oude stadhuis, verschillende kerken en molens en ze zocht huizen van bekenden. De telescoop gaf haar een beeld van de wateren rondom haar eiland en verder, ze kon zelfs tot Goes kijken met zijn markante televisietoren. Door naar het westen te draaien werd ze geconfronteerd met het belastingkantoor waar ze zoveel jaren haar best had gedaan en waar waarschijnlijk haar collegaatjes nog steeds aan het werk waren. Ze zag geen bekenden achter de ramen, allemaal vreemde jongemannen met lichte overhemden. Haar voornemen kwam naar boven, maar ze probeerde dat te verdringen. Het was te mooi weer en het uitzicht was te schitterend om het juist nu te laten bederven door een actie die misschien wel was overwogen, maar absoluut niet op zijn plaats was onder de gegeven omstandigheden. Trouwens, de balustrade was veel te hoog om er overheen te klimmen.
Na drie kwartier had ze alles gezien wat ze wilde, dus uitstellen had geen zin meer, ze moest naar beneden. De plotselinge koelte van het graniet aan de binnenkant van de toren gaf haar een onbehaaglijk gevoel. Weer werd het zwart voor de ogen, stippen die van links naar rechts over haar netvlies zweefden, ze kneep haar ogen dicht. Ze probeerde de ijzeren leuning aan de rechterkant van de trap te grijpen maar pakte mis. De hak van haar linker pump schoof over de tweede tree en ze verloor het evenwicht. Haar tas, camera - waarmee ze was vergeten dierbare foto’s te maken - en haar telescoop vielen van haar schouders en kletterden tegen de buitenwand van de toren. Met haar hoofd raakte ze meerdere malen de treden van de trap en de zuil van de binnenmuur. Haar gehavende lijf kwam veertig treden lager tot stilstand.
Ze was bij bewustzijn, maar ze kon met geen mogelijkheid opstaan en de afdaling te vervolgen. Ze lag half op de trap en half in een nis met een gesloten deur. Ze zag de camera vier treden onder haar liggen, haar tas en telescoop waren niet te vinden, er zat niets anders op te wachten tot andere afdalers haar zouden vinden. Haar rok was gescheurd. Ze had nog wel het besef haar geschaafde benen toe te dekken, van haar onderarmen was de huid opgestroopt en haar hoofd bloedde hevig. Langzaam en op een berustte manier liet zij zich in een slaap zakken. Ze zag het betoverende uitzicht voor zich en dat gaf haar een vredig gevoel.
‘Laat het hier maar ophouden alsjeblieft’ rochelde ze door het bloed heen, toen pas drie kartier later de broeders van de ambulance zich over haar heen bogen.
In het ziekenhuis was niemand die haar kwam bezoeken, ook de zonen van haar zus niet en niemand van het belastingkantoor. Ze stierf na drie dagen coma, ze had onbewust haar zelfmoordpoging tot zelfmoord uitgevoerd, zei het aan de verkeerde kant van de balustrade.

Meer werk van Wim Oudesluijs

terug naar begin



agenda

16-05-2012 t/m 09-07-2012 Expositie: Nelleke Tessen - van Liere

Expositie met fotogedichten van Nelleke Tessen - van Liere.  lees verder.

22-05-2012 Literaire avond: Spring

Spring wordt een intieme literaire avond waarbij het nieuwe boek van Hella de  lees verder.

23-05-2012 Afrika - Literair Festival

In het kader van de Maand van de Vrijheid organiseert SLAZ (Stichting Literaire  lees verder.

01-06-2012 Ruilactie: Boek & Ruil

De meeste boeken leest men maar één keer. Daarna staan ze vaak te verstoffen in  lees verder.

02-06-2012 Workshop Creatief schrijven met Thomas Olde Heuvelt

Schrijf je verhalen of wil je dat gaan doen? Dan is dit je kans! In de Week van  lees verder.

06-06-2012 Boekenverkoop Bibliotheek Vlissingen

Driedaagse verkoop van afgeschreven boeken op de eerste verdieping van  lees verder.