vieruur
Nick van Liere
03.56 uur
De avond hangt als een vleermuis aan de nacht. Ik leun door het geopende raam naar buiten en snuif het zilte aroma op. Juli is warm dit jaar. Ik kijk omhoog, waar tot voor kort God het rijk alleen had. Het firmament is ingezaaid met sterren. Ik vraag me af wie daar het onkruid wiedt.
Daarboven, ergens in die onmetelijke ruimte zal over enkele uren een mens zijn eerste sporen trekken om een memorabel merkteken in de huid van de geschiedenis te kerven. Nog dreunen Armstrongs woorden in me na: ‘Houston, Tranquillity Base here. The Eagle has landed’. En zoals miljoenen anderen zat ik op het puntje van mijn stoel voor de tv.
Ik wil nog een paar uur slapen. Armstrong en Aldrin zullen pas tegen de vroege ochtend uit de maanlander stappen.
Ik hoor Martha naar boven komen. Even later steekt ze haar hoofd om de deur.
‘Het is mij te laat, ik hoor het morgen wel van jou. Welterusten jongen, geniet er maar van.’
‘Welterusten ma.’
Ik wacht even tot ze in bed ligt en knoop mijn broek open. De onrust moet uit mijn lijf. Met grote heftige schokken kom ik. Loom leun ik tegen de blauwe muur met het wit gekalkte ‘donna nobis pacem’, de smeekbede om vrede. Het had Martha tot wanhoop gedreven. ‘Hoe haal je het in je hoofd?’ Maar ik had geweigerd het over te schilderen.
Ik zet de wekker op twee uur en zak weg in een rafelige slaap tot de zoemer me doet opschrikken. Ik kleed me aan en ga naar beneden.
Ik schuif het gordijn in de huiskamer een stukje open en zie dat er in veel huizen licht brandt, als een schijnsel van verbondenheid. Al sinds de lancering, vier dagen geleden lijkt de wereld stil te staan.
Ik ben volledig in de ban van de komende gebeurtenis maar worstel er ook mee. Amerika, het land waar alles kan, dat alles heeft. Ik moet denken aan de oude auto’s waarvan ik als kind de plaatjes heb verzameld: de Ford Lincoln Continental en de Cosmopolitican, de Chrysler Thunderbolt, pure sciencefiction, de Town & Country Convertible cabriolet met zijn houten flanken, de Studebaker Champion. Het kleine en vergeelde album ligt nu ergens in een stoffige doos op zolder, net als de sigarenbandjes, de sinaasappelwikkels en de gedroogde bladeren van de bomen, gefixeerd in kleine groene schriftjes, waar ik in jaren niet meer naar omgekeken heb.
Maar Amerika is ook Nixon en My Lai, die eerloze schandvlek. De geschiedenis leert ons lessen maar wie luistert er naar? Liefde, haat, strelende woorden, dodelijke bevelen, een tedere blik, kille minachting. Uit hetzelfde hart, dezelfde mond, hetzelfde oog.
Bevrijdt Amerika de mensheid van zijn kluisters aan de aarde of berooft het de maan van zijn onschuld, terwijl zijn zwarte bevolking nog opgesloten zit in wetten en getto’s?
Ik zet de kleine zwart-wit tv met de notenhouten kast aan en na een korte flits verschijnen vergezeld van de brom in zijn luidspreker de eerste beelden. Zolang er geen nieuwe ontwikkelingen zijn wordt door verschillende gasten in de studio het Apollo-programma nog eens doorgenomen. Ze blijven alle inmiddels bekende feiten over me heen wateren. Het bijt als zuur in mijn geduld.
Dan komt eindelijk de aankondiging dat het zover is. Ik ga op mijn knieën voor het scherm zitten. Niets zal ik missen.
‘Wat jammer dat Ida er niet bij is’, schiet het door mijn hoofd, maar al snel word ik in beslag genomen door de gebeurtenis die de wereld als een vlieg op een strooplint aan de beeldbuis kleeft.
Buiten sijpelt er al een beetje licht door de duisternis alsof de nacht een vergiet is. Ik kijk op de klok op het dressoir. Half vier. Schimmig vlekken er voorwerpen over de beeldbuis. Met ingehouden adem tuur ik naar schaduwen die nog niet veel prijsgeven.
Dan gaat de deur van de Eagle open en komt een witte gedaante tevoorschijn. Hij klautert moeizaam door de kleine opening naar buiten. Stapje voor stapje daalt hij achterwaarts de smalle ladder af. Kort daarna klinken door het geruis heen de legendarische blikkerige woorden, hijgend uitgesproken door de commandant van de Apollo 11, David Bowies Major Tom. Ze trekken als de tanden van een zaag over mijn rug: ‘That’s one small step for a man’, hier pauzeert hij even - moet hij even op adem komen of schieten de woorden hem niet te binnen? – ‘one giant leap for mankind’. Een onstuitbare stap naar andere tijden tot zou blijken dat de dingen alleen van hun plaats verschuiven om, jaren later, door een nieuwe generatie vol hoop aangezien te worden voor veranderingen die slechts de herhaling van hun eigen geschiedenis zijn. De tijd verplaatst zich niet lineair maar kronkelt als een slang. Op het scherm verschijnt een klokje. 03.56 uur Nederlandse tijd.

Ik strijk met een hand over mijn gezicht. Verbaasd kruipen mijn vingers over het slakkenspoor op mijn wangen. Mijn blik dwaalt af naar de foto op het dressoir en ik moet denken aan mijn bezoeken aan het kerkhof waar ik had gehoopt zijn stem te horen, waar ik had geluisterd naar de golven die zich stuk beten op de dijk met daarboven de krijsende meeuwen, als waakhonden van het getij en waar ik met onuitputtelijk geduld had gewacht tot hij vanonder zijn steen tevoorschijn zou kruipen.
Ik moet denken aan de avonden in bed, lang geleden, dat hij naast me zat terwijl ik zijn hand vasthield als ik niet kon slapen of wakker was geschrokken na een angstige droom of het zien van een spin die scharrelde in de donkere hoeken van mijn kamer. De hand waar ik me maar naar uit hoefde te strekken om de warmte te voelen die de slaap door mijn broze lichaam liet vloeien zodat ik kon wegzinken in de onschuldige vergetelheid van mijn kinderjaren. De hand die er niet was en die ik toch omklemde. Tranen omdat ik dit moment nooit met hem zal delen.
Inmiddels zweven Armstrong en Aldrin door de woeste dorheid van dit verre landschap. Het stof dwarrelt voor hen uit en ze planten de vlag in de bodem van de nieuwe kolonie.
Ik trek de gordijnen verder open, de maan is achter de wolken verdwenen. Kan een nacht als deze zomaar wegglippen in de circulaire tijd?
Het heeft geen zin om nog naar bed te gaan. Om acht uur moet ik me bij het kerkhof melden.
Ik besluit Ida een brief te schrijven. Op mijn tenen sluip ik naar boven om de zwarte vulpen op mijn bureau te halen. De regen murmelt tegen de ramen en daarboven uit klinkt de regelmatige ademhaling van Martha. De diepe slaap als haar deken waaronder ze ’s nachts schuilt tegen de zweepslagen van het verleden. Zachtjes ga ik weer naar beneden, pak briefpapier en scheur een blaadje los. Monotoon krast de pen over het papier. Ik lijk te schrijven in het ritme van de regen.
Lieve Ida,
Het is nu kwart over vier, het wordt langzaam licht en het regent. Kon ik nu je warmte maar voelen, als een herinnering aan deze nacht, een ketting waarmee we later aan ons geheugen kunnen rammelen als de jaren de schakels hebben uitgeslepen.
Kun je je voorstellen dat er op dit moment mensen op de maan lopen, vierhonderdduizend kilometer hiervandaan, een vlag planten en potjes met zand vullen?
De Amerikanen hebben de Russen ingehaald en de Spoetnik, Laika en Joeri Gagarin overtroffen. Ze hebben de maan ingepikt.
Maar weet je wat me dwars zit? Miljoenen hebben honger. Hoe velen zouden niet geholpen kunnen worden met die miljarden dollars? Hoeveel kinderen zouden daarmee niet een betere toekomst kunnen krijgen en naar school gaan? Dat is een andere werkelijkheid, onzichtbaar als je op de maan staat.
Maar wat is toekomst eigenlijk? Hoe dicht liggen de woorden toekomt en toekomst niet bij elkaar? Bedoelen we er een betere tijd mee, een geluk waar iedereen recht op heeft? Maar is het probleem van de toekomst niet dat ze nooit bereikbaar is? Want als we haar willen aanraken, als morgen aanbreekt, dan is de volgende dag de nieuwe toekomst geworden, zoals vandaag gisteren nog toekomst was. Toekomst is een klok die sneller tikt dan de tijd. Toekomst is een idee, een wens, hoop, en misschien van alles nog het meest een richting.
Ik realiseer me dat mijn woorden de neerslag vormen van een discussie op school met als aanleiding een stelopdracht bij Nederlands. De leraar had mijn verhaal ‘De toekomst is onmogelijk’ als thema genomen voor zijn les, die was uitgemond in een heftig debat. De Vlaming, nauwelijks een lichting ouder dan zijn leerlingen wist hoe hij zijn leerlingen uit moest dagen. Maar zoals vaker vroeg ik me daarna af waartoe het eigenlijk had geleid. Tot een paar zinnen in een brief aan Ida?
Het is nu bijna half zes. Het heeft geen zin om nog naar bed te gaan. ‘s Nachts droom ik niet omdat ik aan je moet denken en overdag kan ik niet denken omdat ik van je droom.
Benjamin
‘Insomnia’, grinnik ik. Bloem draait zich nu om in zijn graf. Ik vouw het papier dubbel en doe hem in een enveloppe. Pas als ik hem dichtplak dring het tot me door dat ze bij Ida geen tv hebben, dat oog van de duivel, de aanbidding van het beeld. Ik schud mijn hoofd en voel weer de knoop in mijn maag.
Meer werk van Nick van Liere