opgediepte

Nick van Liere

Opgediepte aarde

De regen stort zich ongenaakbaar naar beneden. Er is op dit vroege uur geen sterveling te bekennen bij de begraafplaats. Ik loop heen en weer voor het roestige, nog gesloten hek. Daar, aan de andere kant, verscholen in de nevel ga ik mijn vader ontmoeten. Ze zullen hem halen vanonder zijn steen, die hem nu nog beschermt tegen het kletterende water. De seizoenen zijn over zijn graf gegleden. De zon heeft er op gebeukt en winters hebben er soms een witte deken opgelegd. Regen is er, net als nu, wassend over heen gespoeld, mos heeft zich er aan vastgehecht.
Ik weet niet zeker of mijn vaders reis naar het onbekende wel ooit begonnen is. Sommigen beweren dat je stap uit het aardse dezelfde negen maanden vergt als je komst. Je gaat zoals je kwam. Anderen menen dat de reis eindigt nog voor hij begint. In de gekuilde aarde, die nu onder staat. Je komt nergens als je niet vertrekt. Maar mogelijk is er sprake van een eeuwige reis, omdat je bent gegaan zonder obool tussen de lippen.
Elders ligt al een vers graf te wachten, terwijl het oude zijn geheimen nog moet prijsgeven. Aan mij, de jongen die nu voor het hek staat, heen en weer geslingerd tussen heden en verleden, tussen blijven en weggaan. Ditmaal geen vergeelde foto’s uit een album dat wanhopig bij elkaar gehouden wordt door een handvol herinneringen.
Ik ga niet alleen de opgraving van mijn vader bijwonen, maar ook die van mijn eigen kinderjaren. En ik ben bang een vreselijke vergissing te begaan. Wat heeft me eigenlijk bezield toen ik het gemeentebestuur een brief schreef om hier vandaag te zijn? Ik denk terug aan het moment, weken geleden alweer, dat mijn moeder me een brief overhandigde.
‘Van de gemeente. Lees maar. Ze laten hem zelfs nu niet met rust’, had Sarah gezegd.
In zakelijke bewoordingen werd in de brief te kennen gegeven dat de graven op het kerkhof ontruimd zouden worden om plaats te maken voor woningen. Wie dat wenste kon via een ingesloten formulier laten weten of de stoffelijke resten overgebracht moesten worden naar de nieuwe begraafplaats. Nieuwe steen op oude, leven gestapeld op de dood, wat komt op wat voorbij is.
Ze hadden geweigerd, vonden me te jong. Ik had een tweede brief gestuurd die gevolgd werd door een uitnodiging op het stadhuis. Het onderhoud met de burgemeester en de wethouder had hen overtuigd. Sarah wist nergens van en ik heb het haar ook nooit verteld. Teveel pijn, teveel wanhoop.
begraafplaats1.jpg
Ik loop naar mijn brommer die ik tegen een boom heb gezet. Een Tomos, met kuipstuur, de droom van iedere jongen van zestien. Ik pak de sleutel, aarzel en ga weer terug. Ik weet bij god niet meer wat ik moet doen.
De werklui zijn laat. Ik kan nog weg. Niemand heeft me gedwongen. Ik wilde het zelf. Vond het ook wel spannend. Maar nu, nu het zover is….De angst voor wat daar straks uit die natte aarde gaat komen kruipt omhoog als vocht waarvan ik me tegen het hek ontlaad.
Ik kruip onder een beuk. De prachtige brede kroon toornt hoog boven me uit. De eironde bladeren vormen een dak, normaal in deze tijd van het jaar een schuilplaats tegen de stekende zon. Nu beschermen ze me tegen de neerplenzende buien.
De storm in mijn hoofd woedt voort. Ik wankel en zoek een houvast, dat ik vind in de natuur, in een boom die zich over me buigt. Ik kijk omhoog, naar de borstelige vruchtnoten, het gevolg van een warm voorjaar. Over enkele maanden zullen de napjes, exotische insecten, openbarsten en hun driehoekige nootjes vol olie prijsgeven.
Ik herinner me een verhaal over het eten van beukennootjes die extatische gevoelens op zouden roepen omdat ze een narcotisch stofje bevatten. Maar dit is geen dag voor uitbundigheid. Die houdt zich schuil, zoals ik onder deze boom, die het najaar niet zal halen, want wat hier plaatsvindt kondigt ook zijn einde aan. Mogelijk ligt hij deze winter in een graf en omhult een uit zijn hout gesneden kist een rottend overschot.
Op de gladde stam staan twee namen gekrast, runentekens uit een moderne tijd. Ze doen me denken aan het verhaal van de Pruis, mijn leraar Duits, over de afkomst van de woorden Buche en Buchstabe. De Germanen kerfden tekens in beukenschors en lazen voorspellingen uit zijn hout. Ze overgoten tijdens hun offerrituelen de ongeschubde stam met het bloed van dieren zodat de aan Wodan gewijde boom niet zou sterven. Maar dat is geschiedenis. Het enige rood op deze stam is het geverfde kruis dat aankondigt dat zijn tijd gekomen is. Geen verspilling van dure mirre en van bloedend hars. Hij wordt nu zelf geofferd, aan wat de vooruitgang heet.
Ik kijk om me heen in een eenzaamheid die ik niet eens met mezelf kan delen en neem een besluit. Ik zal wachten tot het gebeente naar boven komt. Waar ik eindelijk naar kan reiken. Dat mijn ogen zal vullen. Met verbazing? Afschuw? Vervlogen dromen? Of met die onstuitbare tranen, die ik hier niet wil vergieten, maar waarvan ik nu al weet dat ze zullen komen bruisen als deze regen die ongenadig blijft vallen. Er zijn geen dunne flarden nevel, de zwaluwen die een mooie dag aankondigen. Deze ochtend komt dampend uit de aarde. Niet door de warmte van dat vergane lichaam maar door het koude vocht dat neerslaat op de klei die nog nasuddert van de zon van de dag voordien. Het neergutsende water sijpelt in mijn nek.
Ik schrik als voor het hek een oplegger stopt met een met kettingen vastgesjorde graafmachine. Een man met een zwart kalotje op zijn hoofd komt nauwelijks boven het stuur uit. Boven zijn smalle lippen, waar tussen nonchalant een shagje bungelt, schemert een vlasblond snorretje. In zijn blauwgroene ogen verglijdt een blik van onverschilligheid als hij me aankijkt. Maar misschien is het wel zijn afweer tegen de verse wonden die dit werk hem toebrengt en die oude openrijt.
Naast hem zit een jongen, niet veel ouder dan ikzelf. Zijn gezicht steekt bleek af tegen zijn sluike ravenzwarte haren. Hij stapt uit en port een sleutel in het zware hangslot. Het roestige hek gaat knarsend open en de auto rijdt stapvoets de begraafplaats op. Ik loop naar hen toe.
‘Benjamin Blankert, ik kom de opgraving van mijn vader bijwonen.’
De twee knikken.
Ik werp een onverholen blik op de graafmachine, die niet past bij de voorstelling die ik me ervan gemaakt had: het zachte schrapen van een kleine schep, ademloze lippen, een fluisterende wind, misschien een verre kinderstem.
De oudste neemt het woord. ‘We weten ervan.’
In zijn stem is geen spoor te bekennen van de onverschilligheid die ik daarnet nog in zijn ogen meende te bespeuren. Hij lijkt mijn gedachten te raden.
‘We graven de eerste meter met de machine uit. Daarna verder met de schop en het laatste laagje doen met de kleine schep.’
‘Is er geen risico dat eh… er iets beschadigd wordt?’ Ik maak een gebaar naar de graven.
‘Maak je geen zorgen, alles wat we tot nu geruimd hebben lag twee meter diep.’
Ik laat mijn ogen dwalen over de kratergrote kuilen. Alsof een reusachtige mol een grafstad heeft blootgelegd. Ik zoek tevergeefs naar de witte steen. Alle markeringen, sinds mijn kinderjaren in mijn geheugen gegrift, zijn verdwenen. Waar zijn de twee taxussen waar ik als kind ademloos naar kon kijken als de rode besjes in de herfst tussen hun naalden tevoorschijn kwamen? Een zee van in de wind deinende bloedkoraaltjes. Ik weet dat vogels gek zijn op de vruchtjes, het enige van de boom dat niet giftig is. Het zijn niet alleen symbolen van rouw, maar door hun eeuwig groene naalden ook van onsterfelijkheid. Daar zullen zij die hier vreedzaam lagen zo wel hun gedachten over hebben.
En waar is het schelpenpaadje dat om de goudenregen liep, daar naar links draaide tot bij dat ene graf van de oude weduwe Verlaet waarop altijd verse tulpen lagen? En de rododendronstruiken, waar ik rechts omheen moest lopen om bij de witte kiezeltjes te komen? En de holle boom?
Ik tuur naar de opgehoopte aarde. Eindelijk zie ik de steen, leunend tegen een aarden wal, als een vermoeide man die het leven heeft opgegeven. Hoe vaak heb ik niet zitten staren naar de twee gekruiste olijftakken en het opschrift
HIER RUST
ONZE GELIEFDE MAN
EN VADER
M.L BLANKERT
*AXEL 30 SEPT. 1914
† TERNEUZEN
27 NOV.1953.
JOH. 11:25.

Het onbegrijpelijke 11: 25, een som die ik toen nog niet kon oplossen. En het mysterieuze JOH. Het evangelie van Johannes, hoofdstuk 11, vers 25. De dood van Lazarus, zoals ik nu weet.
Vers 1. Er was een zekere man krank, genaamd Lazarus, van Bethanië.
……………
Vers 17. Bij zijn aankomst hoorde Jezus dat Lazarus al vier dagen geleden was begraven.
………….
Vers 20. Toen Marta hoorde dat Jezus eraan kwam, ging ze hem tegemoet; Maria bleef thuis.
Vers 21. ‘Heer als u hier geweest was, zou mijn broer niet gestorven zijn!’
…………
Vers 23. ‘Je broer zal opstaan uit de dood.’
Vers 24. ‘Ik weet dat hij zal opstaan uit de dood bij de opstanding op de laatste dag.’
Vers 25. ‘Ik ben de opstanding en het leven. Wie in mij gelooft zal leven, ook al sterft hij.’
Wie in mij gelooft zal nooit meer sterven? Leven in de opstanding? Maar hij, ziek als Lazarus, had geen genezing ontvangen. De hemel bleef gesloten, geen splijtende lichtbundel en engelengezang. Er was iemand gekomen via de achterdeur. Om hem te halen, niet om te helen.
Maar vandaag ga ik een andere opstanding bijwonen. Alleen zal hier geen man naar buiten komen, de voeten gewikkeld in linnen banden en om zijn hoofd een zweetdoek. Niemand zal vandaag de woorden ‘maak hem los en laat hem gaan’ uitspreken.
De jongen rijdt de graafmachine van de oplegger. De man met het kalotje gebaart naar me.
‘Ga daar maar staan’, zegt hij en wijst naar een met paaltjes gemarkeerd gedeelte. ‘Ik moet nog even in de keet zijn’, wacht hier maar even.’
‘Doe je dit werk allang?’, vraag ik aan de jongen die weer is uitgestapt.
‘Een paar weken.’
‘Niet wat je noemt alledaags werk.’
Hij kijkt me aarzelend aan. Hij plukt aan zijn kin. Dan begint hij plotseling te vertellen.
‘In de zomer, nu drie jaar geleden, gingen mijn broer en ik op een avond zwemmen. Normaal wachtten we een uurtje tot na het eten maar er zat onweer in de lucht. We zijn direct op de fiets gesprongen en naar het zwembad gereden. Mijn broer was een geweldige duiker. Salto’s, hele en halve schroeven, je kent dat wel. Een echte lefgozer. Maar je kon hem ook gemakkelijk uitdagen.’
Hij stokt even. Wat deze zondvloed vandaag ook wegspoelt, het zijn niet de beelden van zijn broer, die zomeravond in het zwembad achter de dijk, jaren geleden.
‘Enfin, toen we ons hadden omgekleed renden we naar de hoge duikplank. We moesten opschieten, want daar boven’ - hij maakt een gebaar in de richting van het water - ‘begon de lucht al zwart te zien.
Op de duikplank stond Kobus Loof. Mijn broer en hij konden elkaar niet luchten of zien. Hij was een beetje hetzelfde type als mijn broer. Veel branie, nergens bang voor en ook een heel goede duiker.
“Wie we daar hebben, de broertjes de Koning!”, schmierde Kobus.’
Een vage herkenning kruipt langs mijn rug omhoog.
De jongen haalt een hand door zijn haren. Zacht spreekt hij verder.
‘Hij ging achterstevoren op de plank staan, zocht even naar zijn evenwicht en maakte een achterwaartse dubbele salto met schroef. Het was een perfecte sprong. Er werd gejoeld en gefluit, meisjes gilden en er werd geklapt. Leo pakte mijn arm en fluisterde “dat ga ik ook doen.”
‘Ben je gek man, je hebt dat nog nooit gedaan!’
‘Niet nodig, let maar eens op, het stelt niets voor. Je dacht toch niet dat ik me door die lul voor gek laat zetten?’
Hij kijkt langs me heen, recht in zijn eigen verleden.
“Kom op de Koning, laat je niet kisten, geef hem maar eens een lesje”, werd er vanaf de kant geroepen.’
Leo de Koning van de groenteboer. Een gezin met alleen maar jongens. De spleet van mijn geheugen opent zich verder.
‘Hij deed hetzelfde als Kobus, schuifelde op zijn tenen achteruit de plank af en zocht naar zijn balans.’
Hij kijkt of de man met het kalotje er al aankomt.
‘Hij was te laat met zijn schroef en kwam plat op zijn buik in het water. Een nare doffe klap. Er werd gelachen maar ook gegild. Ik wist meteen dat het mis was en dook het water in. Hij lag roerloos op de bodem. Ik zwom er naar toe, wilde hem toeschreeuwen. Ik pakte hem onder zijn armen en trok hem naar boven. Er kwam een draadje bloed uit zijn mond.’
Hij pauzeert even.
Ik zie dat hij huilt. De hete tranen van zijn broederliefde vermengen zich met de regen. Alles beweegt, zei ooit een oude Griek, niets staat stil. Behalve de herinnering. Het was het gesprek van de dag geweest en had grote indruk op me gemaakt. Ik zie de ontzetting in de ogen van Sarah weer voor me. Gisteren, alsof het gisteren was. ‘Hoe is het toch mogelijk, die arme mensen.’ Alsof ze haar zuchten weer in mijn oor fluistert.
‘Hij was volkomen kansloos en stierf in de ambulance. Zijn maag en lever waren door de klap gebarsten.’ En dit’, hij wijst naar de omgewoelde hopen, ‘doet me er elke minuut weer aan terugdenken. Het is gewoon kloten.’
Ik kijk hem aan. Zo gaat het vaak denk ik. Ook onbekende doden brengen tranen. Niet omdat ze óns ontnomen zijn, niet omdat wíj het verdriet zouden kunnen voelen van wie zij achterlieten, maar omdat ze onze eigen doden weer tot leven brengen. Het is een knoestige pijn. Daarom is er op een dag als deze, die zwaar is als gietijzer, zoveel pijn. Ze wordt met elk bot omhoog getrokken.
En opnieuw denk ik ‘waar ben ik eigenlijk aan begonnen.’ Maar er is nu geen weg terug meer.

-------

De man met het kalotje is weer uit de keet gekomen. De jongen klimt in de machine en begint laag na laag uit te diepen. Na een half uur manoeuvreert hij de machine naar achteren, stapt uit en loopt naar zijn oudere collega. Ze spreken op gedempte toon en knikken elkaar toe.
In mijn ogen hebben ze hun eigen onthechting gezien. Ze weten dat de botten die ze nu gaan blootleggen een gezicht zullen krijgen. In de zoon die op het punt staat kennis te maken met het gebeente dat ooit het zaad beschermde dat liefdevol ontvangen was in Sarah’s schoot. Ze vragen zich waarschijnlijk af hoe ik me zal houden. Ik doe hetzelfde. Ze moesten eens weten.
Zij zijn vertrouwd met de beenderen die zich voor hun ogen aan elkaar rijgen, de losse delen net zo verloren als het geheel, als het leven dat het ooit omsloot. Maar ze zijn niet van steen, ook zij hebben een vader die ze eens weg moeten brengen, of een broer met wie dat al gebeurd is.

De jongen loopt naar een eenvoudige kist van ruwe planken, die mij nog niet was opgevallen. Het deksel is er half afgeschoven. De regendruppels roffelen als een specht op het hout.
Ze pakken een spade en beginnen schouder aan schouder te graven. Mijn hart dreunt in mijn oren.
Na een paar minuten halen ze kleine schepjes uit de kist tevoorschijn. Ze gaan nu heel voorzichtig te werk. Archeologen van de gemeentewerf.
De zon breekt door het wolkendek en brandt de regensluiers weg. Ze rusten even uit en wissen zich het zweet van hun voorhoofd. De wind föhnt de natgespoelde aarde. Ik vraag me af of de jongen zijn broer weer ter wereld gaat brengen. Ik zie zijn mondhoeken trillen.
Plotseling beweegt er iets tussen de graven en ik moet denken aan dansend gebeente op een door het maanlicht beschenen zerk, aan graven die opgetild worden. Alsof ik naar een horrorfilm kijk en misschien is dat ook wel zo. Uit mijn ooghoeken zie ik een eekhoorntje wegschieten.
Mijn gedachten gaan terug naar de jaren dat ik speelde op het oude niet meer gebruikte kerkhof tegenover ons huis en opnieuw voel ik de schroom toen ik daar over de graven met hun anonieme doden liep. We noemden het ons speelkerkhof. Maar dit graf herbergt geen naamloze. Van dit overschot ben ik een onherroepelijk deel.
Uit een andere wereld dringt het vertrouwde geluid van scheepsmotoren door. Ik kan me niet voorstellen dat er nu mensen aan het werk zijn, boodschappen doen, lachen, de liefde bedrijven als mogelijke voorbode van nieuw leven, terwijl hier……..
‘Ik voel iets.’
Voorzichtig doe ik een stap naar voren. Ik voel het bloed uit mijn gezicht trekken.
De oudste van de twee draait zich om en wenkt.
‘Kom wat dichter bij.’ Hij fluistert, alsof hij bang is dat het gebeente ontwaakt. Ze halen voorzichtig het laatste laagje weg.

Bleek en getekend met bruine vegen schemert bot door de vochtige aarde en besef ik dat ik in de holle ogen van mijn vader kijk. Ogen die zich niet nogmaals kunnen sluiten en ik begrijp, nu voor het eerst, dat hij mijn tekeningen nooit heeft kunnen zien. Tekeningen die ik als kind ontelbaar vaak op zijn graf had gelegd. Ik kijk naar het onherkenbare gelaat van de man die in me voortleeft en begrijp, nu voor het eerst, dat hij mijn woorden nooit heeft kunnen horen. Woorden die ik over hem had uitgestort, jaar na jaar, vertellend over mijn jongensavonturen. Maar ook, zoals ik pas later besefte, woorden van twijfel, verdriet, onbegrip terwijl ik met eindeloos geduld wachtte op een antwoord. Antwoorden die ik van Sarah niet kreeg omdat ze niet kon spreken over die lege plek aan tafel, omdat ze zich had opgesloten in een cocon van ontkenning, ondoordringbaar en verbitterd.
En nu zie de schamele resten van de man die mijn held had willen zijn maar die hier geëindigd is als een uitgedoofd schijnsel dat de illusie van zijn oorsprong niet meer in stand kan houden. Eindelijk begrijp ik dat hij nooit meer op zal staan. Dat het onherroepelijk is. Dat je met de dood geen verstoppertje speelt. De lucht die ik inadem is stroperig, op een plaats als deze komt het leven te kort en ik tuimel naar voren.

‘Zo te zien komt hij weer bij zijn positieven.’
Verdwaasd kijk ik naar twee mannen in blauwe ketelpakken die zich over me heen buigen .
‘Je bent van je eigen gegaan’, zegt een man met een kalotje op zijn hoofd. Daarnaast staat een bleke jongen met zwart sluik haar.
Wie zijn dit? Waar ben ik?
‘Het was gebeurd voor we er erg in hadden. Het is ook niet niks natuurlijk.’
Ik sluit mijn ogen en pijnig mijn hersens af. Langzaam vult mijn geheugen zich weer.
‘Ik voelde het helemaal niet aankomen.
Ben ik in…er …eh boven op gevallen?’
‘We konden je nog net opvangen.’
Ik krabbel overeind en sla de modder van mijn broek.
‘Zou ik even alleen kunnen zijn?’
‘Natuurlijk, het is toch tijd voor een bak koffie.’

Als ze weg zijn, doe ik een paar passen naar voren en kniel. Even aarzel ik, maar dan strijk ik zachtjes met mijn hand over zijn schedel. De tinteling in mijn vingers kruipt omhoog en stropt achter mijn ogen. Op de vleesloze wangen verschijnen donkere vlekjes. Ik woel met mijn hand door het zand, tastend naar een verleden dat ik nooit gehad heb.
Met het schepje haal ik de aarde rondom voorzichtig weg en veeg de korrels opzij. Ik leg de vingers bloot die eens de mijne hebben omsloten. Het kind in me telt er tien. Als een god herschik ik het deel van zijn lichaam waarmee hij ooit het deeg gekneed en het melkbusbrood gebakken heeft. Waarmee hij als dwangarbeider de romploze ledematen heeft verzameld in de ziedende wapenfabrieken van Dresden en waarmee hij Sarah heeft geliefkoosd. Minutenlang lig ik op mijn knieën aan de baar van mijn eigen oorsprong. Eindelijk dringt tot me door dat het onmogelijk is met de doden hun leven te delen.
Er klinken gedempte voetstappen en nog eenmaal laat ik mijn ogen over het gebeente dwalen.
‘We gaan nu de stoffelijke resten verzamelen.’
Ik kijk toe hoe ze het gebeente uit zijn formatie trekken en het behoedzaam in de kist leggen. Ik vraag me af hoe ze het gedaan zouden hebben als ik er niet bij was geweest.
Ze schroeven het deksel dicht.
‘Het zit er op.’
‘Bedankt.’
Ik geef hen een hand en loop zonder om te kijken naar de uitgang. Ik veeg het zadel droog. Ik rij langs huizen en bomen zonder dat ik zie. Ik ga over sluizen en langs schepen in een roes waaruit ik niet ontwaak. Schippers roepen elkaar toe zonder dat ik hoor.
Die dag had alleen een ochtend. De rest ligt begraven op het kerkhof. 


Meer werk van Nick van Liere




agenda

16-05-2012 t/m 09-07-2012 Expositie: Nelleke Tessen - van Liere

Expositie met fotogedichten van Nelleke Tessen - van Liere.  lees verder.

22-05-2012 Literaire avond: Spring

Spring wordt een intieme literaire avond waarbij het nieuwe boek van Hella de  lees verder.

23-05-2012 Afrika - Literair Festival

In het kader van de Maand van de Vrijheid organiseert SLAZ (Stichting Literaire  lees verder.

01-06-2012 Ruilactie: Boek & Ruil

De meeste boeken leest men maar één keer. Daarna staan ze vaak te verstoffen in  lees verder.

02-06-2012 Workshop Creatief schrijven met Thomas Olde Heuvelt

Schrijf je verhalen of wil je dat gaan doen? Dan is dit je kans! In de Week van  lees verder.

06-06-2012 Boekenverkoop Bibliotheek Vlissingen

Driedaagse verkoop van afgeschreven boeken op de eerste verdieping van  lees verder.