ontmoeting

Nick van Liere

De ontmoeting

Op het kerkhof, waarover soms de schijn van werkelijkheid hangt en dan weer de realiteit van de droom, is door de gemeente een bankje geplaatst. Het staat enigszins naar achteren, langs het pad waarover zich de grote eik huift. Alsof men de mensen wil uitnodigen hier in hun pauze de meegebrachte boterhammen te nuttigen, is er een prullenbak naast gezet.
De lucht is zwaar op deze avond waar de zwaluwen het laatste bleke licht benutten voor hun duikvluchten. Weldra zal de duisternis invallen en zullen ze afgelost worden door de hesperide vleermuizen die zich nu nog schuil houden in de nissen van de stenen overkapping waar gereedschap en een paar emmers staan en die straks hun onderkomen voor de winter zal vormen.
Karel kent de man met de sigaret niet. Even gloeit het puntje op in de schemering die als gruis uit de lucht valt. Hij wenkt en gebaart hem dichterbij te komen. Schoorvoetend loopt hij naar hem toe en gaat aan het andere einde van het bankje zitten. De onbekende neemt Karel onderzoekend op, kijkt dan weer voor zich uit. Hij gooit zijn sigaret op de grond en trapt hem uit.
‘Mooie avond niet?’
Bij het uitspreken van de woorden trekken zijn onregelmatige tanden een brokkelige streep over zijn gelaat.
Karel knikt en wendt zich naar de onbekende, die nog altijd strak voor zich uit staart. Hij heeft zo’n gezicht dat je al vergeten bent als je het hebt gezien. Een man zonder kenmerken, hoewel, bedenkt Karel, dat misschien ook wel weer een kenmerk is.
‘Komt u hier wel vaker? Karel voelt zich verplicht zijn bijdrage aan het gesprek te leveren. Voor zover je ‘mooie avond niet?’als een begin kan opvatten.
‘Ik mag hier graag zitten, vooral rond deze tijd.’
De man zoekt in zijn jaszakken, haalt er een verfrommeld pakje sigaretten uit en poert met een vinger in de opening om er een uit te halen.
‘U ook eentje?’, richt hij zich tot Karel.
‘Nee, dank je, ik ben jaren geleden gestopt.’
‘Heel verstandig, hopelijk op tijd.’
Karel meent een zweem van ironie in zijn stem te horen.
‘Het is mij nooit gelukt en eerlijk gezegd geloof ik niet dat het voor mij verschil zou maken’, zegt de man enigszins raadselachtig.
Karel vraagt zich af wat hij daarmee precies bedoelt, denkt terug aan de tijd dat iedereen hem aan de kop zeurde dat hij moest stoppen en besluit niet op de opmerking in te gaan.
‘En u, wat brengt u hier?’
‘De dood’, grinnikt Karel en wijst in de richting van de onafzienbare rijen graven.
Het lijkt of de man zachtjes gniffelt. Karel kijkt hem aan, maar op zijn gezicht is geen spoor van vrolijkheid te bekennen.
‘Dat geldt voor mij eigenlijk ook wel. Liggen er naasten van u hier?’
‘Mijn vrouw’, antwoordt Karel die ineens iets moet wegslikken.
Haar ziekbed, jaren geleden, staat hem weer als de dag van gisteren voor de geest. Hij heeft het lang weggestopt, zelfs als hij hier komt slaagt hij er in die beelden uit zijn geheugen te wissen. Maar vanavond lukt dat plotseling niet meer. Ze was weggeteerd als de bloemen die hij elke week op haar graf komt leggen. Heeft hij eigenlijk om haar gegeven? Beschaamd moet hij bekennen dat hij daar niet zo zeker van is. Of is hij het gewoon vergeten? Kun je vergeten dat je van iemand hebt gehouden? Tot zijn schrik bemerkt hij, zittend naast een man die hij niet kent, dat hij helemaal niets voelt nu hij aan haar denkt. Alsof dertig jaar een stofje is dat je uitniest waarna het voorgoed uit je leven verdwijnt. Hij heeft sinds haar overlijden, tien jaar geleden, niemand meer gehad. Het zaad in zijn lendenen is verschraald of ergens in zijn grote lijf de weg kwijtgeraakt, heeft een verkeerde afslag genomen of is verzopen in een waterige darm. Zijn vuurtje laaide toch al nooit hoog op en als het er al eens van kwam had zijn vrouw hem angstig aangekeken alsof het weer de eerste keer was. En die was niet echt een succes geweest.
‘Heb je kinderen?’, doorbreekt de onbekende zijn gedachtestroom.
Karel schudt zijn hoofd. ‘Nee, mijn vrouw wilde niet en ik, ach, voor je het weet is de tijd voorbij.’
‘Hm, heel goed’, mompelt de man zachtjes.
‘Wat zeg je?’, vraagt Karel.
‘Ik zei jammer. Ze geven ook veel zorgen moet je maar denken.’
‘Zeker weten’, zegt Karel, die opstaat en zich uitrekt.
‘Ik ga maar weer eens.’
De onbekende knikt en steekt zijn hand op.
’Wees voorzichtig.’
Karel loopt langs het graf van zijn vrouw en schudt zijn hoofd.
Even later kijkt de man op het bankje op zijn horloge. Uit zijn gebaar spreekt een zeker ongeduld. Hij schuift wat ongemakkelijk heen en weer.
Dan klinkt in de verte de snel naderende sirene van een ambulance. Opnieuw werpt hij een blik op zijn horloge en knikt tevreden. Zijn werk zit er weer op voor vanavond. Hij steekt een nieuwe sigaret op. De waarschuwing op het pakje kan hem niet deren.


Meer werk van Nick van Liere




agenda

16-05-2012 t/m 09-07-2012 Expositie: Nelleke Tessen - van Liere

Expositie met fotogedichten van Nelleke Tessen - van Liere.  lees verder.

22-05-2012 Literaire avond: Spring

Spring wordt een intieme literaire avond waarbij het nieuwe boek van Hella de  lees verder.

23-05-2012 Afrika - Literair Festival

In het kader van de Maand van de Vrijheid organiseert SLAZ (Stichting Literaire  lees verder.

01-06-2012 Ruilactie: Boek & Ruil

De meeste boeken leest men maar één keer. Daarna staan ze vaak te verstoffen in  lees verder.

02-06-2012 Workshop Creatief schrijven met Thomas Olde Heuvelt

Schrijf je verhalen of wil je dat gaan doen? Dan is dit je kans! In de Week van  lees verder.

06-06-2012 Boekenverkoop Bibliotheek Vlissingen

Driedaagse verkoop van afgeschreven boeken op de eerste verdieping van  lees verder.