brief
De brief
Johann Pachelbels Canon in D majeur hield de wereld buiten en ik hoorde de brievenbus niet. Hoe vaak ik ook de achtentwintig variaties op de twee ostinatomaten beluisterde, deze muziek doofde nooit uit, raakte nooit uitgeput. Bij elke herhaling leken de noten opnieuw geboren te worden alsof ze terug op weg waren naar de ganzenveer waaruit de zoon van de Neurenbergse wijnslijter ze ooit had laten vloeien.
Ik had de canon jaren geleden voor het eerst gehoord tijdens de afscheidsdienst van een overleden geliefde. De plechtigheid vond plaats in een sober protestantse kerkje op Walcheren. Een katholiek, die voor het eerst kennismaakt met het strenge gesteente van het calvinisme, waant zich in een andere wereld. Als je voor je binnentreedt een blik werpt op de grove muren weet je al dat wat je ziet is wat je krijgt. Gewend als je bent aan het voor deze orthodox gelovigen bijna uitzinnige interieur van kathedralen en basilieken bekruip je ogenblikkelijk een gevoel van ontheemding. Elke steen, elke nis, elke schaduw ademt eenvoud en somberheid uit. Doe maar gewoon. Wees nederig.
Het kerkje hield zich schuil achter de dijk waartegen de golven van de Noordzee die dag vriendelijk klotsten. Maar de bewoners van het dorpje wisten wel beter: als God zijn toorn wilde tonen in de ziedende storm had ook de kerk een dijk nodig. Zij wisten het als geen ander en als ze het al mochten vergeten dan hoefden ze maar het aantal graven te tellen met 1953 op hun steen.
In de nuchtere, van elke franje ontdane dienst was Pachelbel een verdwaalde exoot, een troostende dissonant. De wonderschone klanken schuierden de stof die op ons neerdaalde en maakten de boodschap dat ons lijden niet groot genoeg kan zijn enigszins dragelijk. Nee, de sprankelende hoop kwam die dag niet van de kansel.
Natuurlijk, de herinnering aan haar, aan de geliefde, geboetseerd uit dezelfde klei waarin haar ontbinding reeds een aanvang had genomen, smolt voor altijd samen met de prachtige sostenuto gespeelde melodie. Maar ook zonder haar, die nu ik dit vertel verflauwd is tot een schaduw uit het verleden, wist ik dat ik deze muziek nooit kon vergeten.
Toen de laatste klanken wegstierven en ik ze nog even trachtte vast te houden zoals een beeld dat nog op je netvlies nabrandt, hoorde ik de brievenbus dichtvallen. Het was een vervelend ding, smal en stroef. Ik had het zelf wel eens uitgeprobeerd. Je moest het klepje met je ene hand wegduwen en met de andere de krant naar binnen wringen wat een rafelige spoor achterliet op de voorpagina. De wereld kwam iedere dag beschadigd bij me binnen. Hij bleef ook altijd open staan. In de zomer was dit niet erg, maar ’s winters, als de gure oostenwind tegen de deur bokte leek het of een polair koufront het huis in kroop, als een slak die zijn ijzig spoor sleepte van vertrek naar vertrek. Ik was al vaak van plan geweest er een andere in te zetten maar mijn twee linkerhanden gedachtig had ik dat steeds uitgesteld. Ik vreesde door mijn gestuntel een exemplaar te scheppen dat groot genoeg was om als kattenluikje te dienen voor het zwarte mormel dat me elke ochtend brutaal in de ogen keek bij het opentrekken van de gordijnen. Het beest leek nooit te slapen, ziek te zijn of op vakantie te gaan.
Ik stond op en liep naar de voordeur. De post lag als een waaier op de mat. Ik raapte het stapeltje op en liet het door mijn handen glijden. Er was een felicitatiekaart bij van mijn zus die elk jaar met de precisie van een Zwitsers uurwerk twee dagen te laat arriveerde. Blijkbaar leefde ze in een andere tijdzone, het gevolg van haar nooit aflatende zoektocht naar nieuwe spirituele ervaringen waardoor ze al haar halve bestaan in een andere wereld vertoefde. Ze was een ongelukkig verlopen liefde nooit te boven gekomen en besefte niet dat naar welke wereld je ook gaat je nooit kunt achterlaten wat in jezelf zit.
Tussen de post zat verder wat drukwerk dat ik de prullenbak in smeet en een paar rekeningen waarmee ik hetzelfde deed. Als laatste hield ik een lichtbruine envelop zonder postzegel in handen waar vreemd genoeg alleen mijn met potlood geschreven naam op stond. Het buitengewoon regelmatige handschrift kwam mij vaag bekend voor.
Sinds ik per ongeluk een liefdesbrief bij het openen doormidden had gescheurd en had verwoest, en daarmee ook de prille liefde die erin verklaard werd - want nog geen tien minuten later ging de bel en stoof een jonge vrouw naar binnen, gooide haar jas op een stoel en wilde zich net in mijn armen storten toen haar oog viel op haar verscheurde epistel, de verkeerde conclusie trok, haar jas pakte en zich vervolgens weer uit de voeten maakte om nooit meer terug te keren – sinds die gebeurtenis ging ik voorzichtiger te werk. Ik pakte een schaar en knipte er behoedzaam een randje af. Daarna bolde ik de lange zijden op en trok er een op dun papier geschreven briefje uit dat in vieren gevouwen was. Ik streek het glad op de tafel. Bij het lezen van de aanhef stokte mijn adem en ik wist meteen waar ik het handschrift van herkende. En begreep dat het onmogelijk was.
Beste jongen,
Ik weet het, net als je zus ben ook ik te laat al denk ik er een betere reden voor te hebben. Dat wanhopige gesnuffel van haar in die andere werelden. Daar tref je geen verloren liefdes aan, alleen maar illusies, wat dat betreft is het niet veel anders dan in wat ik maar voor het gemak de echte wereld noem. Maar bij mij ligt het wat gecompliceerder. Helaas kan ik daar niet over uitweiden, je moet het maar van me aannemen. Deze brief heeft in ieder geval de nodige voeten in de aarde gehad, een opmerking waarvan ik me overigens nu pas realiseer hoezeer hij op me van toepassing is.
Ik weet dat je er je hele leven naar uitgekeken hebt. Hoe vaak moet je niet teleurgesteld zijn geweest en je verlaten hebben gevoeld? Geloof me, ik had het ook graag anders gezien, maar dingen lopen niet altijd zoals we het zouden willen. Maar denk niet dat ik je vergeten ben. Geen dag, nee geen minuut zelfs, ik zweer het. Ik heb nooit afscheid van je kunnen nemen, je was ook nog zo klein, je zou het ook niet begrepen hebben. Dat kon ik zelf niet eens. Oh, ik heb je gezien, met je moeder aan je hand op weg naar waar jullie dachten dat ik was. Of rennend over het voetbalveld of dromend in je schoolbankje. Wat zou het mooi zijn als we ooit nog eens konden bijpraten.
Maar nu ben ik erg moe. Ook al zijn het maar een paar woorden, weet je jongen, ze zijn zwaar, zo verschrikkelijk zwaar. Op een andere manier dan die van de dominee, in dat kerkje achter de dijk. Daarom moet ik nu stoppen. Misschien dat ik je nog eens schrijf maar beloven kan ik dat niet.
De naam onder de brief was nauwelijks leesbaar. Maar een naam had ik ook niet nodig.
Het was intens stil in huis. Van buiten drong geen geluid binnen. In de tuin bewoog geen blad, in de lucht geen wolkje. Een vliegtuig liet op grote hoogte een condensspoor achter dat hij als een wollen draad leek voort te trekken. De zwarte kater lag uitgeteld in de schaduw van een hortensia. De wereld was tot stilstand gekomen. De wereld buiten, aan de andere kant van het glas waar de tuin begon, maar ook die in mezelf. En hoewel ik een korte broek droeg en een mouwloos hemd, moest ik hevig transpireren en zocht het zweet zich een weg langs de flanken van mijn lichaam. Het kroop over de geopende poriën, nam nieuw vocht op en meanderde naar het laagste punt.
Ik probeerde de violen en cello van Pachelbel op te roepen maar ze kwamen niet. Ze gingen schuil achter andere herinneringen, achter een foto op het dressoir waarop een man, een vrouw en twee kinderen stonden afgebeeld. Ze waren nog onwetend van een toekomst die nu allang verleden tijd is. De vader had een onbestemde trek om de lippen die te vroeg kwam voor de fotograaf zodat ik nooit zou weten of het een aanzet was tot een glimlach of gewoon een opmerking tegen de man achter de camera. Pas later, veel later begreep ik dat ‘te vroeg’ als een stempel op zijn leven had gedrukt. Te vroeg voor zijn vertrek, te vroeg voor mij, te vroeg voor…
Uitgeput ging ik aan tafel zitten. Geslagen door een brief waarop ik zo vaak gehoopt had, tegen beter weten in, in een tijd dat ik al wist dat het niet kon maar dat niet aanvaardde. En nu was er de paradox van een brief die niet geschreven had kunnen zijn, niet verstuurd had kunnen worden, niet door mijn onwillige brievenbus had kunnen vallen. Maar hij was geschreven in het handschrift dat ik zo goed kende van de brieven aan mijn moeder, die ze angstvallig had verborgen tussen haar schoenen en jurken in het kistje op haar slaapkamer maar dat ik als een truffel had opgegraven.
Ik was niet geschokt dat de brief te laat gekomen was voor mijn verjaardag. Dat was ik al gewend van mijn zus. En wat is nu een verjaardag? Een kerfje in je leven, gewoon een groefje erbij op weg naar de laatste groeve tussen al de anderen die je al voorgegaan zijn. Ik was ook niet geschokt dat ik al die jaren niets van hem vernomen had. Hoeveel zonen zijn er niet die in jaren taal noch teken hebben vernomen van hun vader?
Ik zette de canon in D weer op en strekte me uit op de bank. Het zachte intro, zo ingehouden alsof iemand je voorzichtig wilde wekken, voerde me weg van de brief die onmogelijk van hem kon zijn maar die nu op tafel lag in dat onloochenbare potloodschrift van hem.
De zwarte kater kwam uit zijn schaduwplekje tevoorschijn en sprong op de vensterbank. Nieuwsgierig keek hij naar binnen. Zijn ogen gleden over de brief en vervolgens over de bank. Hij spitste zijn oren en hoewel hij geen verstand had van muziek begreep hij dat het heel mooi was. Hij keek nogmaals naar de bank en begon tevreden te spinnen.
Bedolven onder de klanken van Pachelbel zakte ik langzaam weg. Mijn laatste gedachte betrof de brief zonder postzegel van de man die dertig jaar geleden was gestorven en die ik nooit bij leven had gekend.
Meer werk van Nick van Liere