bijzetting
Nick van Liere
De bijzetting
De man vindt niet dat alle kerkhoven hetzelfde zijn omdat de dood gelijk maakt. Of recht wat krom was. Zeg niet tegen hem dat de goeden het eerst geroepen worden als was het een kruis van verdienste. Kinderen, onschuldig als de blik in hun ogen. Vrouwen, tot de laatste snik vechtend tegen het woekerende monster dat zich op een dag in hen genesteld heeft. Mannen van een eer die er toe doet en die geen oorlogen zijn begonnen maar hebben gebroken. Nee, kom er niet mee aan bij hem.
Sommigen staan hem nog helder voor ogen, anderen zijn verbleekt tot een vlek op een verhaspelde foto in een schoenendoos waar de chronologie van de tijd bepaald wordt door een graaiende hand. Hij moet denken aan de ploertige willekeur waarmee ze uit het leven zijn getrokken. En aan de smeerlappen die naast hen zijn ingekuild met hetzelfde gebrek aan gêne dat hun levens heeft gekenmerkt. Daar is hij het nog het meest bang voor, straks, als het zijn beurt is. Dat er een naast hem komt te liggen met een geweten als een bloedhond. Die elke week een hypocriete bos bloemen op z’n weggeteerde ingewanden gedrukt krijgt door een nabestaande die de leugen tot over het graf laat regeren. Het zou zijn eigen groeve bezoedelen. Hij wil helemaal niet dat de dood verbroedert.
Hij kijkt rond en zijn oog valt op de gebochelde aarde op een steenworp afstand van het bankje. De dood verzuimt niet. Doden is zijn levensritme. Hij haalt een zakdoek tevoorschijn en dept zijn ogen. Nee, het zijn geen tranen, hoewel hij geen reden zou kunnen bedenken om zich daarvoor te schamen. Het is zo godvergeten warm vandaag.
Een van de vrouwen naast hem, de blonde, kijkt hem bezorgd aan. Haar ogen staan zacht. Er ligt een droefheid in die past bij deze omgeving, maar dat is niet de reden. Die blik hoort bij haar, waar ze ook is. Alleen de slaap is in staat ze te verhullen.
‘Hoe vaak kun je iemand begraven?’, vraagt ze retorisch. Hij haalt zijn schouders op.
‘Drie keer’, antwoordt de andere vrouw, de zwartharige, die vindt dat je elke vraag moet beantwoorden. ‘Eindelijk samen’, voegt ze er aan toe.
Hij schudt verbaasd zijn hoofd.
Op het onverharde pad voor hem liggen geen schelpen. Hier niet. Er is ook geen goudenregen of holle boom. Hij glimlacht. Vroeger was het er allemaal. Hoe lang is het alweer geleden? Ook de oude witte steen met de twee gekruiste olijftakken is verdwenen. Hij ligt nu ergens op een vuilstortplaats. Tussen brokken gesloopte gevels en muren. Niet alleen mensen gaan dood.
Op het nieuwe zwarte marmer glanzen de letters in de zon. Het vers is hetzelfde, maar aan de naam is een tweede toegevoegd. De kiezeltjes zijn schoongewassen.
Ze zitten onder de zoemende seringen, de man en de beide vrouwen. De bijen melken er elke druppel nectar uit. Het roept bij hem de vraag op of het verleden het heden bestuift of andersom. Naarmate hij ouder wordt neigt hij naar het laatste. Ze weten er niet zoveel van, de vrouwen. Van zijn verleden. Het echte, niet het veronderstelde. Of geldt hiervoor ook de spiegeling der dingen?

De zon stooft de aarde en de stenen. De man wrijft in zijn ogen, zijn mond voelt droog aan.
‘Ik vond het verschrikkelijk, op dat kerkhof’, zegt de blonde. ‘Ik wilde er nooit heen. Die akelige stilte, de blikken in de ogen van de mensen. Haar eigen gezicht, grauw van ellende.’
De donkere knikt.
‘Altijd als ik daarvan thuis kwam moest ik overgeven. Op een gegeven moment nam ze ons ook niet meer mee. Ik heb me altijd afgevraagd of ze zelf wel wilde. Het moet een martelgang voor haar geweest zijn, maar ze ging, zo was ze wel. Ze had geen keus.’
‘Ze had die pijn nodig denk ik’, zegt de donkere. ‘Die hield haar op de een of andere manier overeind. Ze haalde er haar energie uit om verder te kunnen. Ze leefde op pijn.’
Het gesprek valt stil. Er broeit iets. De klank in zijn stem geeft de vrouwen een ongemakkelijke gevoel.
‘We krijgen bezoek’, zegt de blonde en wijst naar de donkere stoet die hun richting uitkomt.
Het ziet er altijd weer hetzelfde uit, denkt de man. Strakke koppen, de blik gericht op de schuifelende voeten van de man of vrouw voor je. Op het gezicht van de begrafenisondernemer die plechtstatige uitdrukking waar hij niets van meent. Een tweede hoofdrolspeler , naast de stakker in de kist.
Bij de gebuilde aarde schuift de stoet als een harmonica in elkaar. Het zweet parelt de dragers, zes in getal, van het gezicht. Buikige lieden. Ze leven er goed van zo te zien. Als ze zo doorgaan staan ze volgend jaar weer hier. Dan ligt er een van hen in de kist. Het leven is niet meer dan een estafette waarbij altijd wel iemand het stokje laat vallen.
De stoet wordt een halve maan. Het beeld van een hagenpreek doemt op, al is deze niet in de duinen maar bij een dijk. Zover is Dishoek trouwens ook weer niet hiervandaan. Er worden woorden gesproken die hij niet kan verstaan, maar wel kan raden. ‘Je was een zorgzame….’. , ‘we begrijpen het niet…’, ‘veel te vroeg….
Nooit ‘je leven was een mislukking en….’ , ‘zijn we eindelijk van je verlost…’ , Hij grinnikt. De donkere vrouw kijkt hem verstoord aan.
Ze blijven maar spreken, daar aan dat graf. Mijn God, wat hebben ze toch allemaal te zeggen? Alles wat ze tijdens het leven niet over hun lippen konden krijgen moet er nu blijkbaar uit. Alsof de stumper die ligt te smoren in de kist daar nog iets aan heeft. Dat had hij, de man veronderstelt een hij, die gaan nu eenmaal eerder, liever niet nu pas gehoord. Of helemaal niet.
Ah, de touwen gaan er omheen. Hij kan naar beneden. Moeizaam laten ze het hennep door hun handen glijden. Wat als de kist nu uit zijn touwen klettert? Slaken ze kreten van paniek? Staan ze aan de grond genageld? Hij ziet hun basale angst al dat het geliefde, vervloekte, beweende, beschimpte, beminde, gebeukte gezicht zich nog eenmaal toont in zijn verwrongen trekken. Die de pijn er nog dieper in jaagt, de opluchting bevestigt, de schaamte van de klappen (toch een vrouw?) in de knokkels weer doet voelen.
Gespannen volgt hij het vieren van de touwen. Dit is het moment waarop de meesten breken. Hier smoort de laatste flinter hoop dat het allemaal maar een nare droom is, schiet nog even de vrees omhoog dat godbetert de klootzak het deksel eraf kiepert en blijkt opnieuw iedereen te grazen hebben genomen, wordt de illusie van een wederopstanding definitief om zeep geholpen. Het spook van de dood ontdoet zich van zijn kleed, strekt zich poedelnaakt op het nog glanzende hout en trekt schaamteloos een lange neus naar de zwarte uniformiteit daarboven rond de opgeworpen kluiten.
De wind draagt het eerste gesnik aan. De begrafenisondernemer toont zijn professionaliteit en vertrekt geen spier. Iemand moet hier het hoofd koel houden. Wat zou hij er graag een foto van gemaakt zien die hij tijdens het avondeten trots kan tonen. ‘Kijk eens, ik was in bloedvorm!’ Kreten van bewondering, zijn vrouw bij wie de opwinding in de lendenen slaat en die, ware de kinderen er niet geweest, hem zo de tafel op zou sleuren.
Een voor een stappen de nabestaanden naar voren en gooien een bloem op de kist die als een bootje in de golven verdwenen is. Een zeemansgraf in de aarde, een vadem diep.
Het is nog een heel georganiseer, denkt de man. De bloemen moeten besteld en afgeleverd. Iemand moet ze uitdelen, wie mag als eerste gooien, wie dan. Daar moet over nagedacht worden. Je brengt wat teweeg als je dood gaat. Je zou er nog ruzie over krijgen. En dan die gezichten. Hoe moet je kijken als je een bloem gooit in een kuil? Met strakke kaken boven dat gapende gat hangen terwijl alles in je juicht dat jij het niet bent die daar ligt. Druk die blijdschap maar eens even weg. Of het schurende zelfverwijt dat je toen niet naar je vader hebt geluisterd. Het front van de stoet, daar vallen naar je mag aannemen de hardste klappen. Alles wat daar achteraan sjouwt is vooral blij met een vrije dag.
Dat ook nog denkt hij. Na de bloemen het zand. Er stapt een vrouw naar voren. Toch een man dus. Gaat ze het met een schepje doen of wordt het ouderwets handwerk? De voorste rij wijkt licht uiteen. Ze bukt en als ze overeind komt staart ze in de groeve. Dan gooit ze beide handen omhoog, opent ze en laat los. Een duif verzeild in een zandstorm.
De man gromt instemmend. Zo neem je afscheid. Het vuil der aarde tussen je nagels en in de lijnen van je hand. Hij ziet dat niet iedereen haar voorbeeld volgt. Dat met die bloemen vonden ze nog wel in orde. Maar vieze handen maken? Dat doen ze liever ergens anders.
Hij ziet dat de stoet aanstalten maakt om op te breken. De formatie wordt schuifelend hersteld. Het onbewogen gezicht van de begrafenisondernemer stelt zich weer aan het hoofd. Hij geeft een teken en leidt de zwarte fanfare soepel tussen de graven naar de koffietafel. Je zou zweren dat er op geoefend is.
Hoe lang hebben we nog?’, vraagt de donkere.
‘Een uur of drie.’
Hoewel de begrafenis pas eind van de middag zou plaatsvinden, had hij hen gevraagd eerder te komen. Aan het begin van de ochtend liefst. Ze hadden afwijzend gereageerd, vonden het veel te vroeg. Maar hij had sterk aangedrongen. Hij moest hen bijpraten over een paar zaken. Of dat niet gewoon na afloop tijdens de koffie kon? Nee, had hij gezegd, het ging eigenlijk wel om meer dan een paar kwesties. Ze waren nieuwsgierig geworden, maar hij had alleen maar gezegd dat als ze het wilden horen, ze maar moesten komen.
Uit het dichtklappen van portieren maakt hij op dat de eersten alweer gaan. Voor hetzelfde geld plakken ze er nog een middagje strand aan vast. Ze zijn nu toch hier. Je kunt beter duinzand aan je handen hebben dan wat daarnet nog tussen hun nagels kroop. En wat is er nou mis met een frisse duik in de zoute golven?
Ja, denkt hij, spoel het secreet van vals verdriet maar af, laat het weg bijten door het jodium.
De begraafplaats is nu verlaten. De laatste genodigden hebben afscheid genomen en zijn uitgezwaaid. De man overweegt de gedachte of je een dode kan uitzwaaien, maar moet die verwerpen. Hij meent dat uitzwaaien impliceert dat er teruggewuifd kan worden. Het is een gebaar van interactie. Je zou natuurlijk op symbolische wijze kunnen uitzwaaien, hoewel hij zich realiseert dat dit merkwaardige beelden op kan leveren. Tientallen mensen rond een kist die afdaalt, de handen ingetogen wapperend in de lucht. Een teraardebestelling in gebarentaal.
De donkere haalt een hand door haar haren. Ze weet zeker dat hij dingen gaat vertellen die ze niet wil horen, waar ze geen vat op heeft. Het onomkeerbare. Wat te maken heeft met deze plek. Het maakt haar onrustig. Daar houdt ze niet van, ze wil weten waar ze aan toe is. De dingen vóór je kunnen zien, geen dreiging in de rug. Niet zoals toen, vele jaren terug, dat begon met het verpletterende “hij is gisteren doodgegaan.” De huiver kruipt over haar rug als de ribbels die eb op de stranden achterlaat. Alsof het gisteren was. En ze gaat terug. Naar het gisteren van toen.
Het donkere meisje doet weer de deur open op een vroege ochtend in juni. Er staat een grote man voor haar die, denkt ze nu, verlegen kijkt. Ze is nog maar net wakker en wrijft in haar ogen. Hij komt haar wel bekend voor, maar weet hem niet direct thuis te brengen. Naast haar hoort ze haar blonde zusje ‘man’ zeggen. De moeder roept iets vanuit de keuken en komt naar voren. Ze doet een stapje opzij en kijkt omhoog, naar de moeder en die man. Hij lijkt op de foto in de kamer. Dan dringt het tot haar door. Ze ziet de moeder en de vader elkaar vreemd aankijken. Hij stapt naar binnen.
Ze probeert terug te halen wat ze toen voelde, maar er komt niets. Is ze het vergeten? Is er niets omdat er toen ook niets was? Ze gelooft niet dat ze blij was. Een onverzorgde stinkende man die een beetje leek op een foto waar ze elke dag aan voorbij liep zonder er echt naar te kijken. Was ze bang, verward? Zo gek zou dat niet geweest zijn. Er komt niets dat hoort bij die dag van toen. Alleen van later. De indringer die haar uit het moederlijke bed verdreef, verbood wat ze altijd had gemogen. Ze werd koppig, kreeg soms een tik. Waarom was hij niet gebleven waar hij vandaan kwam? Ze hadden het toch goed, met z’n drietjes? Wat wist hij daar nu van?
Maar van die ochtend in juni weet ze niet zoveel meer. Wel van de dag dat de vader naar het ziekenhuis ging, samen met de moeder. Ze zwaait hem uit. Dat hoort zo. In zijn hand houdt hij een leren koffertje. Er is een riem omheen gebonden. Ze vraagt zich af of daar wel alles in past. Door zijn hoest heen probeert hij te lachen maar dat gaat hem niet goed af. Hij zegt dat hij niet van plan is daar lang te blijven. Hij heeft een vooruitziende blik.
Ze is met de moeder mee. Ze heeft de vader niet meer gezien. Hij ligt in de auto waar ze achterloopt. Ze hadden haar al verteld dat hij niet meer naar huis zou komen, maar dat geloofde ze niet. Hij was toen toch ook teruggekomen? Op die dag waarvan ze bijna niets meer weet.
Ze staat met haar hand in die van haar moeder. Het is koud, het hoopje aarde is bedekt met een laagje bittere sneeuw. Er wordt gesproken maar ze volgt het niet. Ze weet niet of zij het wel is die daar staat. Af en toe voelt ze de hand van de moeder die de hare knijpt. Als ze haar aankijkt meent ze hetzelfde te zien. Een lege blik, van iemand die ergens anders is. De touwen laten de kist zakken. Ze hoort mensen huilen. Ze voelt niets. Helemaal niets. Toen niet, nu niet.
Ze is boven en hoort onder aan de trap het broertje om zijn vader roepen. Die is er niet. Hij zal ook niet meer komen. Hij snapt er niets van, maar dat doet ze zelf ook niet.
Vanuit het westen komen wolken aandrijven. Er steekt een zwoel windje op. Het weer verandert. De atmosfeer wordt benauwd. Aan de meeuwen hoort hij dat het vloed wordt.
De vrouwen zwijgen. Op de dag dat ze hun ouders gaan herenigen wordt het zolang weggestopte verleden niet alleen opgerakeld, maar….
‘We krijgen onweer.’
Hij wijst naar de snel verkleurende lucht en kijkt op zijn horloge. ‘Laten we maar naar binnen gaan.’
Ze staan op en strekken hun stijve ledematen. Het mortuarium ziet er verlaten uit, maar de deur is open. Hij gaat hen voor en loopt naar het zaaltje waar de kist staat. Kil is het hier. Hij loopt er omheen en legt zijn hand op het deksel, maakt een strelende beweging. Koel hout wat zich nog niet gewonnen geeft aan de ontbinding. De twee vrouwen pakken een stoel en zetten die langs de kist. Hij schuift de zijne ernaast. Hij schraapt zijn keel. Het moet een keer verteld worden.
Meer werk van Nick van Liere