hekgolf
Hekgolf
De man zette zijn strandstoeltje neer met zicht op zee.
Aan de zuiderstranden van Walcheren kun je frontaal in de zon liggen met onbetaalbaar uitzicht. Bij helder weer prijkt de overkant van de Westerschelde van Breskens tot aan Zeebrugge messcherp afgetekend op de horizon, de grote zeeschepen van en naar Antwerpen komen op een steenworp afstand voorbij.
Het was benauwd en heet zodra de zon scheen. Boven het strand stond een besluiteloze lucht. Tergend langzame zwarte wolken wisselden af met laaiende zonneschijn.
Voorlopig stond het een-nul voor de wolken.
Er zaten plukjes mensen verspreid in het hete zand. Langs de waterlijn voetbalde een groepje jongens met een inzet die Van Basten goed had kunnen gebruiken. Twee Duitse moeders smeerden blote kinderen in tot hun mollige lijfjes glommen. Reusachtige meeuwen scharrelden tussen de handdoeken van de voetballende jongens op zoek naar etenswaar. Verder gebeurde er niets noemenswaardigs.
‘Zo,’ zei de man tevreden. In dat ene woord lag de samenvatting van een grondige strandinspectie besloten.
Hij keek met een verrekijkertje in de richting van Vlissingen. Dat de ontblote borsten van de beide Duitse moeders daarbij beeldvullend zijn blik kruisten was een prettige bijkomstigheid. Maar het ging hem om iets anders.
‘Kijk Lenie,’ zei hij. Er trilde nu opwinding mee in zijn stem. ‘Hij daar, kijk ‘m eens keihard varen.’ Lenie keek, net als wij. In de verte naderde de plompe vorm van een zeeschip, bruisend wit schuim voor zich uit duwend. Lenie’s echtgenoot rekte zich uit. ‘Die knapen zuigen de hele geul leeg als ze zo allemachtig hard varen.’
De man praatte niet, hij doceerde, met een stentorstem en een loodzwaar Vlissings accent. Met achteloze vanzelfsprekendheid becommentarieerde hij alles in zijn blikveld en daarbuiten. Zijn vrouw bestudeerde onderwijl haar bruingebakken borsten. Het was zo’n echtpaar waarvan de patronen van communicatie onwrikbaar vastlagen.
Het schip passeerde. Het was een Noorse tanker, die Annaleen Knudsen heette. De schroef klopte het water woest op.
‘Nou pas gaat-ie bakboord uit,’ schamperde de man. ‘Jaja, time is money.’
Hij had er verstand van.
De man wees naar een donkere plek in het water achter het schip. ‘Daar komt de hekgolf, ’ zei hij verwachtingsvol.
Rijkswaterstaat had met tonnen zand de Walcherse stranden opgehoogd. Het strand was een stuk steiler geworden. Sindsdien overspoelde een mini-tsunami de argeloze badgasten telkens als een groot zeeschip met hoge vaart vlak langs de kust passeerde. Het had al vragen in de gemeenteraad opgeleverd, en extra strandbewaking, en verontruste lezersbrieven in de Provinciale Zeeuwse Courant. Je kon wachten op een ongeluk.
Deze hekgolf had ieders aandacht. Hij kondigde zich aan met een aanzwellend geraas. Men stond ervoor op. Kinderen in het water gilden opgewonden. Zelfs de voetballers staakten hun spel. Schuimend sloeg de eerste van een rij hoge golven op het harde zand te pletter.
De man in zijn stoeltje overzag voldaan de consternatie aan het water.
De Annaleen Knudsen trok haar hekgolf wijd uitwaaierend achter zich aan en koerste statig het zeegat uit. En de zon kwam tevoorschijn en brandde ongenadig, als een teken dat op het strand de gewone gang van zaken hernomen kon worden.
Augustus 2006
Meer werk van Hubert Leeman lezen:
De Thermen van Saturnia