Naar het strand
Naar het strand
Een felle noordoostenwind laat donkere wolken langs de lucht jagen. Het ziet er somber uit en de beloofde dag naar het strand lijkt letterlijk in het water te vallen. Onze kleinzoon sleept een stoel naar het keukenraam en gaat er op zijn knietjes opzitten. Z’n ellebogen plant hij in de vensterbank en een vastberaden ruggetje wordt naar ons gericht. Bijna dwingend kijkt hij minutenlang naar de grijze wolkenflarden. Als er even later toch enkele felle regenstriemen tegen het raam kletteren, schuift hij de stoel demonstratief onder tafel. Hij geeft het op. Geen strandpret vandaag. Ik schenk de koffie in bekers en schep wat extra suiker in die van hem. Het lepeltje zet ik er in. Het helpt. Met een klein glimlachje van verstandhouding gaat hij koffie lepelen. Hij is even de waarschijnlijk verloren stranddag vergeten. Het tempo van schepjes koffie die hij naar zijn mond brengt, loopt op. Het wordt één vloeiende beweging. Opa wil er iets van zeggen, maar ik schud zachtjes van nee. Zijn grote zwarte ogen kijken af en toe uitdagend over de rand van het kopje, in mijn richting. Wanneer zal oma ingrijpen?
Een spoortje koffiedruppels komt op tafel en op zijn T shirt. Ik zeg niets, maar bedenk hoe ik hem straks ga verrassen:
‘Oma heeft op de buienradar gekeken, over een uurtje is het droog.’ Een glimlachje kan ik niet helemaal onderdrukken terwijl ik er aan denk. Er ontgaat hem, zoals gewoonlijk, niets.
‘Wat is er voor leuks? Waarom moet je lachen?,’ vraagt hij hoopvol. Oma heeft vaak leuke ideetjes, dus wie weet. Dan zeg ik: ‘Ja, als je nu een schoon shirt aanhad en mijn tafel niet zo vies was, dán zouden we naar het strand kunnen. Want strakjes gaat de zon weer schijnen.’
Heel kort hangt het lepeltje bewegingloos in de lucht. Dan legt hij het voorzichtig naast de intussen lege beker. Hij kijkt ernstig naar me, wat moet hij hier nu van denken. Kort kijkt hij naar opzij. De regendruppels glijden nog steeds langs het keukenraam. Ik kijk zo neutraal mogelijk terug en zwijg. Dan laat hij zich van de stoel glijden, pakt een doek waarmee hij de tafel wat onhandig schoon wrijft.
‘En mijn shirt?’, vraagt hij gedwee.
‘Dat moet met een beetje water en daarna met de doek. Houterig duwt hij wat met de doek op zijn shirt en kijkt me verwachtingsvol aan. Nog steeds beweeg ik niet. Totdat twee kleine armpjes om mijn hals geknepen worden.
‘Gaan we écht oma?’
‘Ja scheetje, we gaan echt.’ Ik word bijna plat gedrukt, zijn harde koppie stoot pijnlijk tegen mijn neus. Maar dat geeft niet. Oma zijn is genieten, zolang het kan. Even drukken we onze wangen tegen elkaar. Zachtjes fluistert hij:
‘Je bent het liefste omaatje van de wereld.’ En daar doe je het toch voor. Dan gaan we met z’n drieën de strandspulletjes opzoeken. Handdoeken, schepjes en het fototoestel gaan in de kofferbak. Ook een tas met een stel droge kleertjes voor de toekomstige kasteelheer. Een zakje met snoep en wat drinken zetten we op de achterbank. We moeten rennen, zo hard regent het nog. Maar de buienradar belooft een zonnige dag. Dus we gaan.
Het zandkasteel

We rijden door de regen naar het strand zo’n vijftig kilometer verderop. Bezorgd kijkt mijn kleinzoon door het raampje.
‘Wordt het echt mooi weer oma?’
‘Ja schat, het wordt écht mooi weer straks. Misschien niet om te zwemmen, maar het is precies goed weer om een zandkasteel te bouwen.’
Daar moet hij even over nadenken, wat is een zandkasteel dan? Ik vertel hem over een slotgracht en over een kanaal naar de zee graven. Over de berg, gemaakt van het uitgegraven zand waar hij op kan staan, als de zee er omheen spoelt. Maar hij begrijpt het nog niet zo goed. Aangekomen bij het strand, valt het vies tegen. De buienradar was een beetje abuis. We besluiten om eerst pannenkoeken te gaan eten. Daarna kijken we wel, of we hier blijven. Tijdens het eten komt de zon gelukkig toch te voorschijn. Alleen de wind kan nog spelbreker worden. Met zeker kracht zeven of acht, loeit hij om het restaurantje. We staan een beetje te rillen op de hoge zeedijk. Toch zijn er enkele stoere zwemmers in het water. Ze verdwijnen regelmatig even onder de woeste schuimkoppen. Dan zegt opa resoluut: ‘Als die mensen kunnen zwemmen, dan kunnen wij toch wel een gracht graven?’
We gaan voorzichtig de hoge dijk af naar het zand. En inderdaad, hier is het niet zo koud en winderig als bovenop. Oma is architect en fotograaf, de twee mannen moeten het zware werk opknappen. Met een van de schepjes trek ik een lijn van de zee naar het toekomstige kasteel. Daarna geef ik ongeveer de grootte aan van het bouwwerk. Onze kleinzoon staat er wat onhandig bij. Maar als opa de eerste meter gegraven heeft, gaat hij meehelpen. Hij snapt nu wat er gedaan moet worden. Toch blijft hij achterdochtig. Om de vijf minuten vraagt hij: ‘Wanneer komt de zee dan hier? Hoe doet de zee dat dan?’
Mijn uitleg dat de zee dat al duizenden jaren twee keer per dag voor elkaar krijgt, neemt hij voor kennisgeving aan. Na een half uur gelooft hij er niets meer van. Hij gaat een stukje de zee in en begint daar te graven. Zijn spijkerbroek is tot ver boven z’n knietjes doorweekt. We staan allebei te genieten, dertig jaar geleden deed onze twee zoons immers precies hetzelfde? Op mijn schijnheilige vraag: ‘Wat ben je aan het doen?’ Antwoordt hij zelfverzekerd: ‘Ik ben de zee een beetje aan het helpen, anders komt hij hier nooit!’
We laten het zo.
Dan komen plotseling enkele stevige golven achter elkaar het strand oprollen. Hij kan nauwelijks het vege lijfje redden. Struikelend over zijn achtergelaten schepjes en de zandbergen kijkt hij verbijsterd toe, wat de zee allemaal kan. De gracht wordt in een klap gevuld met zanderig, schuimend water. Opa roept: ‘We moeten een dam bouwen, anders is het kasteel over vijf minuten weggespoeld!’
Met z’n drieën werpen we een zandwal op. Voor even is het kasteel gered van de ondergang. Maar binnen een paar minuten slaan de golven al weer over de dam heen. Triomfantelijk neemt onze kleinzoon de positie van kasteelheer in. Gewapend met zijn schep gaat hij het gevecht met de zee aan. Boven op de zandberg kan hij de hele wereld aan. Nog geen kwartier later moeten we vluchten. De golven klotsen tegen de zeedijk. Het kasteel is allang niet meer te vinden.
Op de terugweg mompelt hij: Het grafkasteel was wel érg snel kapot, misschien moeten we stenen gebruiken.
Ik verbeter hem niet, want zijn hoofdje zakt langzaam opzij en ik vind het wel leuk klinken. Als verklaring geeft hij nog: ‘Dit was ook pas het eerste graf van mijn leven, morgen maak ik het sterker.’ Dan valt hij in slaap.
Meer werk van Corrie Huijer