maan
Nieuwe maan
Kay kwam steeds minder vaak thuis. Hij raakte mij niet aan, mijn wond. Ik kon mezelf slechts met afschuw bekijken. De pijn was zo hevig dat ik niets vermoedde toen ik de slaapkamer binnenging. Ik zag Kay in ons bed, hij zweette en was buiten adem. Ze was jong genoeg om onze dochter te kunnen zijn. Mijn verbijstering bleef geluidloos aan de gordijnen plakken.
Twee weken bleef ik in het ziekenhuis. Kay kwam wel op bezoek. Hij had een nieuwe bril. Hij zette bloemen in een vaas op mijn nachtkastje. Ik mompelde een dankjewel en vroeg hem hoe we de scheiding zouden regelen. Ik haatte al het fruit dat ik zag en sneed het in gedachten steeds in helften. Kay vertrok, want hij moest weer drie weken gaan varen.
Voordat Kay rivierloods was hadden we ons eigen binnenvaartschip. Ik voer altijd mee. Op den duur moesten we de Maria II van de hand doen, we zaten tot onze nek in de schulden. Kay werkte anderhalf jaar op een scheepsbevrachtingskantoor in Mainz. Ik deed daar administratief werk. Toen Kay weer ging varen kreeg ik heimwee, voor het eerst, naar Nederland, waar mijn familie woont.
Mijn huisarts schreef me medicijnen voor: anti-depressiepilletjes. Regelmatig verscheen ik op zijn spreekuur voor wat peptalk. Toen vertelde hij me de uitslag van het bevolkingsonderzoek waaraan ik had meegedaan omdat ik een oproep had gekregen. ‘Ablatio mammae’ was onderstreept in een brief die de chirurg aan mijn huisarts richtte. ‘Er is een maligniteit geconstateerd’, zei de arts vriendelijk. ‘Maligniteit?’vroeg ik verbaasd en geschrokken. ‘In gewone woorden betekent het dat het gezwel in uw linkerborst kwaardaardig is. U heeft borstkanker. Uw linkerborst moet worden geamputeerd.’ Ik snakte naar adem.
Ik liet me opereren in Nederland. Kay bleef in Mainz. Met Pasen lag ik bij te komen van de operatie, die goed gelukt was. Ik vroeg me af of mijn borst nu als een halve perzik ergens lag te rotten in een vuilnisemmer. Ik vroeg me af of Kay me afstotelijk zou vinden, mijn wond, waar hij me eerder had gekust, gestreeld, gezogen…
Na die operatie ging ik terug naar Mainz. Ik werd mager omdat ik mijn eetlust verloor, ik miste mijn geboortegrond en ik miste vooral Kay. Hij kwam nog zelden thuis, raakte me totaal niet aan, vermeed het om me aan te zien, verrekte het mij echt te zien.
’s Nachts kijk ik naar de lichten in de stad. Ik lig opnieuw twee weken in het ziekenhuis. Vorige week kwam Kay me een kerstroos brengen. Hij heeft mijn andere borst niet meer gezien. Ik ben terug in mijn moederland.
Zo nu en dan hoor ik zeemeeuwen krijsen. Misschien zweefden ze vannacht ergens boven het water, ergens ver weg – boven het schip van Kay. Af en toe val ik in slaap. Ik verwonder me over al het zwart rond de nieuwe maan en wacht tot ze in tweeën breekt.
Meer werk van Antonia Frank